Nu toch geen eenheid, maar “kerkvervolgingen”? Nieuwe ontwikkelingen bij de Orthodoxe kerk in Oekraïne

Door Alfons Brüning.

“De Oekraïense veiligheidsdienst SBOe heeft meer dan 350 kerkgebouwen doorzocht in een onderzoek naar staatsondermijnende activiteiten. De dienst vreest dat de parochies van de Russisch-Orthodoxe Kerk worden gebruikt om pro-Russische geluiden te verkondigen en onderdak te bieden aan personen die verdacht worden van nauwe banden met Rusland.” Hiermee begint een nieuwsbericht op de website van de NOS, gedateerd op 23 november dit jaar. Sinds die tijd waren er ook in Westerse media vaker meldingen over acties van de Oekraïense overheid en geheime dienst tegen Orthodoxe kerkgebouwen van de – foutief zo genoemde – ‘Russisch-Orthodoxe Kerk’ in Oekraïne.

In het centrum van de aandacht staat de Oekraïens-Orthodoxe Kerk (OeOK), onder leiding van metropoliet Onoefrij. Begin dit jaar was deze kerk nog nauw verbonden met het patriarchaat van Moskou. De achtergrond van de invallen en huiszoekingen blijft vaak mistig. De meldingen bevatten ook enkele misverstanden – beginnend met de naam.

Concurrerende kerken

De OeOK is dus een van de twee grote Orthodoxe Kerken in Oekraïne, naast de in 2019 opgerichte Orthodoxe Kerk in Oekraïne (OKOe), onder metropoliet Epifanij. In de Sovjettijd was de huidige OKOe gewoon de Oekraïense afdeling van de Russisch-Orthodoxe Kerk. Kort na de onafhankelijkheidsverklaring van Oekraïne in augustus 1991 kreeg deze afdeling vergaande autonomie toegekend: de kerk mocht haar interne kwesties zelfstandig regelen en ook haar leider, de metropoliet van Kyiv, zelf kiezen. Alleen moest deze keuze in Moskou nog bevestigd worden door de Russische bisschoppensynode, waarvan de nieuwe metropoliet ook lid werd. In de loop van de jaren ontstonden binnen deze kerk verschillende fracties. Sommigen legden meer nadruk op de zelfstandigheid van de Oekraïense kerk, anderen gaven meer betekenis aan de ideologische banden met Moskou. Naast de OeOK bestonden tot 1995 nog twee ‘nationale’ Orthodoxe Kerken in Oekraïne. De zogeheten ‘Oekraïense Autocefale Orthodoxe Kerk’ (OeAOK) was oorspronkelijk in de jaren 1920 ontstaan, en had de vervolgingen alleen in de Westerse diaspora overleefd. Nu werden kerkelijke structuren weer opgericht op het gebied van de Oekraïense staat. Een derde kerk, naast de OeOK en de weer opgerichte diasporakerk, gaat terug op het initiatief van metropoliet Filaret, die in de Sovjettijd namens de Russische kerk metropoliet van Kyiv was geweest, en die nu de autonomie, zoals deze van Moskou is toegekend, niet voldoende vond. Hij richtte een volledig onafhankelijke, Oekraïense kerk op, en noemde zich ‘patriarch van Kyiv’ (OeOK-KP). Een aantal bisschoppen van de OeOK volgden hem bij deze stap. Bovengenoemde twee ‘nationale’ kerken (OeAOK, OeOK-KP) werden, omdat de procedures van hun ontstaan in canoniek opzicht voor velen twijfelachtig leken, door wereldwijde gemeenschap van de Orthodoxe Kerken niet erkend. Einde 2018 poogt patriarch Bartholomeus van Constantinopel in de ingewikkelde situatie verbetering aan te brengen. Hij nodigde de kerken, geestelijken en leiders van alle kerken uit voor een herenigingssynode. Deze synode leidde tot de samenvoeging van de twee ‘nationale’ Orthodoxe Kerken, en zelfs enkele bisschoppen en priesters van de OeOk kwamen erbij. De grote meerderheid van de geestelijken en leiders van de OeOK wees echter de rechtmatigheid van deze synode categorisch af; hetzelfde deed het patriarchaat van Moskou. Toch ging de synode door, en koos een nieuwe metropoliet, Epifanij. Aan de herenigde kerk, die uit deze synode voortkwam, de Orthodoxe Kerk in Oekraïne (OKOe), verleende patriarch Bartholomeus in januari 2019 een tomos (een document van kerkelijke erkenning). Anders dan haar voorgangers is de nieuwe, herenigde kerk canoniek gelegitimeerd. Als gevolg bleven sinds 2019 twee grote Orthodoxe Kerken in Oekraïne over, en achter elke kerk stond een patriarchaat elders, zij het in Moskou, zij het in Constantinopel. Dit had ook effecten op de Orthodoxe Kerken wereldwijd. De relatie tussen de twee patriarchen werd na deze gebeurtenissen omschreven als ergens tussen rivaliteit en koude oorlog.

De Russische aanval leek aanvankelijk een nieuwe solidariteit te stichten tussen de kerken. Deze zomer leek het er nog op dat de twee grote kerken toch tot eenheid zouden kunnen komen, tegen de achtergrond van hun gezamenlijke lot in de oorlog. Alle Orthodoxe Kerken in Oekraïne spraken zich toen immers samen met de vertegenwoordigers van alle religies in het land unaniem uit tegen de oorlog. Metropoliet Onoefrij, hoofd van de OeOK (destijds nog met het bijvoegsel “Patriarchaat van Moskou”, noemde de oorlog al onmiddellijk na het begin van de Russische invasie “een misdaad en een broedermoord, die de zonde van Kain herhaalt”. Talloze priesters, leken en zelfs enkele bisschoppen van deze aan Moskou verbonden kerk stopten ermee om – zoals eigenlijk gebruikelijk is – patriarch Kirill in de liturgische gebeden te noemen. Ook binnen deze kerk was overal duidelijke en hevige kritiek geweest op de rechtvaardigingen voor de invasie, zoals deze vanuit Moskou, en niet in de laatste plaats in de preken van Kirill, de patriarch van de Russisch-Orthodoxe Kerk, werden uitgedragen.

Tijdens de bijzondere synode op 27 mei dit jaar heeft de ‘Oekraïens-Orthodoxe Kerk’ (OeOK) min of meer alle banden met de voormalige moederkerk in Moskou verbroken. Weliswaar bleef het vooralsnog de vraag, of dit niet vooral retoriek was. Een beslissend element bleven de statuten – wat zou er gewijzigd worden, en worden de overgebleven verwijzingen naar het patriarchaat van Moskou ook echt verwijderd? Inderdaad bestond hierover korte tijd onzekerheid. Maar zelfs nadat begin juli niet alleen de analisten onder de theologen, maar ook de nationale ‘Dienst voor Ethnopolitiek en Vrijheid van Geweten’ tot de conclusie kwamen dat er ook in de statuten, dus in juridisch opzicht, geen band met de Russische kerk meer over was gebleven, bleef de status van de OeOK onduidelijk. De kerk bleef formeel in een tussenpositie zitten tussen zelfstandigheid – door de genoemde uitbreiding van haar autonomie, welke al in 1991 door patriarch Aleksij van Moskou was toegekend – en autocefalie als volledig zelfstandige kerk. Autocefalie zou haar op dezelfde hoogte als andere nationale kerken brengen, zoals bijvoorbeeld de Orthodoxe Kerken van Roemenië of Bulgarije. Traditioneel wordt de autocefalie in de Orthodoxe wereld door een van de grote patriarchen toegekend. Een patriarch heeft zijn bijdrage geleverd, namelijk diegene van Constantinopel. De autocefalie van de concurrerende kerk, de OKOe onder metropoliet Epifanij, destijds bevestigd door Bartholomeus, is inmiddels minstens door een deel van andere kerken van de Orthodoxie wereldwijd erkend. Het patriarchaat van Moskou liet daartegenover weten, dat het de autonomie van de OKOe onder Onoefrij voldoende vond en niets moest hebben van volledige autocefalie voor de andere Oekraiense kerk – laat staan van een samenvoeging van de twee concurrerende kerken.

Dit laatste niveau van autocefalie is er dus voor de OeOK nog niet. Na 2019 was de kerkelijke situatie binnen Oekraïne ambivalent. Het kerkelijk leven liet tekenen van verzoening en pragmatisme zien, maar ook van rivaliteit. De kerkleiders en woordvoerders van de twee concurrerende kerken gingen elkaar te lijf met allerlei verwijten over gebrek aan loyaliteit, gebrek aan canonieke legitimiteit en over vermeende activiteiten ten bate van de vijand. Dat was ook destijds al Rusland, dat de aanvallen van de separatisten in het Oosten bleef steunen. De gelovigen trokken zich overigens niet veel aan van de geschillen tussen de kerkleiders. In Oekraïne was de groep van mensen die zich in peilingen als ‘gewoon Orthodox’ identificeerde altijd al groot (recent, voor de oorlog rond de 40%). Mede dankzij de Maidan-revolutie in 2014 bestaat er een pragmatische samenwerking van priesters, gelovigen en parochie van de verschillende kerken tijdens een noodsituatie, zoals deze vanaf februari 2022 weer ontstond. Dit is wel maar één kant van de medaille. Daar tegenover staan geschillen over bezit van kloosters en kerkgebouwen, strijdige overgangen van parochies van de ene jurisdictie naar de andere en wederzijdse verwijten van ‘fascisme’ of ‘groot-Russisch nationalisme’.

Nu leek het in de zomer nog dat de oorlog, die door het kerkelijk centrum in Moskou wordt gerechtvaardigd als een ‘metafysische strijd’, de oude conflicten zou helpen overwinnen en een nieuwe eenheid zou bevorderen. Alle Oekraïense gelovigen ondergaan immers hetzelfde lot en zijn slachtoffers van de Russisch-Oekraïense oorlog. Niet lang na de synode van 27 mei kwamen vertegenwoordigers van beide kerken bij elkaar en publiceerden een document van goodwill, waarin zij de intentie uitten om van de oude wederzijdse beschuldigingen af te zien en naar mogelijkheden voor een constructieve dialoog te zoeken. In puur theologische termen – dus wat bijvoorbeeld liturgie, sacramentenleer, apostolische traditie en geloofsbelijdenis betreft – zijn de verschillen tussen de twee Orthodoxe Kerken altijd al minimaal geweest. Wat betreft ecclesiologie, de leer over kerkelijke structuren en jurisdicties die van oudsher een meer politieke bijsmaak heeft, zijn er wel grotere verschillen.

Roesskij Mir

De beloftes van de situatie in mei en juni zijn niet vervuld. Dat een gezamenlijke vijand – Rusland en het aan de Russische staat verbonden patriarchaat van Moskou – een aanvullende motivatie voor de zoektocht naar eenheid zou vormen, bleek later in de zomer alweer een illusie te zijn. Het belangrijkste geschilpunt draait nog steeds om het concept van de ‘Russische Wereld’ (roesskii mir). Volgens deze ideologie zijn Russen en Oekraïners (en Wit-Russen) sinds de doop van de middeleeuwse Kievse grootvorst Vladimir (Oekraïens: Volodymyr) meer dan duizend jaren geleden altijd religieus, nationaal en cultureel nauw met elkaar verbonden geweest. Zij vormen als het ware natuurlijke broedervolken als onderdeel van een gezamenlijke beschaving, die verschilt van de wereld daaromheen (vooral het Westen).

De ideologie van de ‘Russische Wereld’ vormt ook de achtergrond van de rechtvaardiging van de oorlog door het Moskouse patriarchaat. Het hoofdargument is dat te veel zelfstandigheid van de Oekraïense staat, een onafhankelijke kerk en een oriëntatie op het zedelijk verdorven en goddeloze Westen niet te verzoenen valt met deze – volgens de ideologie van de ‘Russische Wereld’ – natuurlijke orde van zaken. Daarom zou de zelfstandigheid van Oekraïne verhinderd moeten worden volgens het patriarchaat van Moskou. Bij een meerderheid van andere Orthodoxe Kerken was er weinig begrip voor de Moskouse perspectief. De oorlog werd bijna unaniem veroordeeld. In de naam van de Wereldorthodoxie en namens Oekraïense theologen verscheen in april dit jaar een publiekelijke veroordeling van deze ideologie. Het is door de Wereldorthodoxie en door Oekraïense theologen bestempeld als een fascistoïde en nationalistische constructie, die niets te maken heeft met het Orthodoxe geloof. Ook voor Orthodoxe gelovigen is het christelijke geloof universeel en vredesgezind, en zijn nationalistische afwijkingen en de rechtvaardiging van geweld een zonde en ketterij.

Maar deze ‘Russische Wereld’ laat ook – vanuit een cultureel of politiek perspectief – verschillende interpretaties toe. Een meerderheid van de Oekraïners reageerde op deze leer altijd met hevige afkeuring, omdat hierdoor het streven naar politieke, culturele en uiteindelijk ook religieuze zelfstandigheid ondermijnd wordt. Oekraïners, ook gelovigen en kerkgangers, zetten veeleer de nadruk op het bestaan van Oekraïne als zelfstandig subject, niet alleen als speelbal van andere machten of patriarchaten (Oekraïens gebruikt het sleutelwoord ‘subjeknist’). Dit is vooral het standpunt van de ‘nationale’ OkOe en haar aanhangers. In deze zin uit zich metropoliet Epifanij, wiens preken vaak een patriottische kleur hebben. Anderzijds zijn er tot in 2021 ook altijd meer verzoenende en zachtere interpretaties van de ‘Russische Wereld’ geweest. Deze leggen de nadruk meer op cultureel erfgoed in plaats van op staatsgrenzen en machtspolitiek, en laten een bepaalde zelfstandigheid van Oekraïne toe, met haar eigen geschiedenis en staat, zolang het narratief van Russen en Oekraïners als broeders met oog op geschiedenis en religie bewaard blijft. Kiev/Kyiv mocht wel de hoofdstad van Oekraïne en residentie van een seculiere regering en parlement zijn, maar tegelijk blijven de heilige plekken in deze stad, zoals het beroemde Holenklooster, algemeen toegankelijke bedevaartsplaatsen voor Orthodoxe pelgrims uit Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne. De mythe van de ‘broedervolken’ kon bovendien de meer recente geschiedenis van de Sovjet-Unie als een op vriendschap tussen de volken gegrond imperium, en met name de Tweede Wereldoorlog (in Rusland en Oekraïne nog steeds bekend als de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’) integreren. De grote oorlog heeft overal in de Sovjet-Unie zogenaamde heldensteden voortgebracht, die succesvol maar ten koste van veel slachtoffers verzet hebben geboden tegen de fascistische, Duitse Wehrmacht. Een daarvan werd Leningrad, later hernoemd tot Sint-Petersburg. Andere waren Kiev en Charkov (Oekraïens: Kyiv en Charkiv).

De ‘zonde van Kain’

Maar nu valt de ene broeder de andere broeder aan. Soldaten uit Rusland komen niet als pelgrims naar Kiev, maar gewapend en als aanvallers. Een heldenstad moet zich verdedigen tegen strijders uit de andere heldenstad. Dit gebeurt nu in naam van de – vermeende – verdediging van het heilige Rusland en het Orthodoxe geloof, dat zijn bastion zou hebben gevonden in de ‘Russische Wereld’. Voor een meerderheid van de Orthodoxe gelovigen in Oekraïne is deze ‘Russische Wereld’, waar ze eigenlijk nooit echt van hielden, nu onherroepelijk dood.

Voor anderen bestaat juist in deze wending van de gebeurtenissen het grote verraad. Metropoliet Onoefrijs uitspraak over de ‘zonde van Kain’ kan vanuit twee perspectieven worden geïnterpreteerd. Ook de Russische kerk noemt een oorlog een ‘broedermoord’. In de “grondslagen van een sociale leer”, in 2000 samengesteld onder regie van metropoliet Kirill van Smolensk, de huidige patriarch, wordt elke oorlog principieel veroordeeld als een ‘broedermoord’, gewoon omdat het altijd om geweld onder mensen gaat, en mensen algemeen broers en zusters zijn (hoofdstuk VIII). De volgende passage in dit document spreekt echter ook over de grote eerbied die de Russische kerk altijd zou hebben gehad voor de soldaten, die hun leven hebben gegeven ter verdediging van het moederland. Ook al staat het daar niet expliciet, de achtergrond verwijst duidelijk naar de ervaringen van de Sovjet-Unie en de Tweede Wereldoorlog, waar het vooral de Russische kerk is geweest, die als eerste tot verdediging van de ‘heilige Russische aarde’ tegen de fascisten had opgeroepen. Dit narratief komt nu in Rusland weer naar voren in de staatspropaganda en de patriottische verhalen van kerkelijke leiders. Hierdoor is er bijvoorbeeld sprake van een oorlog tegen vermeende ‘fascisten’.

Destijds vochten Russen, Belarussen en Oekraïners samen, als wapenbroeders. Het was, in een alternatieve lezing van de ‘Russische Wereld’, een van de vele uitdrukkingen van de historische verbondenheid van de Oekraïense en Russische naties. Oekraïense zelfstandigheid staat niet noodzakelijkerwijs tegenover integratie in een grotere eenheid. De ‘Russische Wereld’ betekent harmonisch nabuurschap en – in kerkelijke termen – een gezamenlijk geestelijk erfgoed, maar geen politieke dwang. De ‘broedermoord’ die nu plaatsvindt, is niet alleen een algemene, menselijke tragedie, maar ook een verraad van deze gezamenlijke traditie van weliswaar apart bestaande, maar toch nauw aan elkaar verbondene ‘broedervolken’. Sommigen binnen de OeOK konden zich ook na de uitbraak van de oorlog niet echt vrijmaken van deze alternatieve versie.

Metropoliet Onoefrij

Metropoliet Onoefrij is hiervoor een voorbeeld. Hij is een typische Oekraïner. Hij is geboren in de Westerse regio van Boekovina, een regio met grote etnische diversiteit nabij de Roemeense grens. Naast zijn Oekraïense moedertaal spreekt hij Russisch en Roemeens. Enerzijds is Onoefrij opgegroeid in een multi-etnische en multi-linguïstische omgeving. Anderzijds is hij vooral opgegroeid in de Russische monastieke traditie (in het Oosters christendom zijn parochiepriesters getrouwd, maar hogere kerkelijke functies zijn voorbehouden aan monniken). Hij behoorde begin negentiger jaren tot de geestelijke leiders die zich verzetten tegen het oprichten van een onafhankelijke, van Moskou afgescheiden, kerk in Oekraïne (die, zoals al aangeduid, na 1992 opkwam, onder de omstreden ‘patriarch’ Filaret). Hij is een empathische geestelijke leider, maar staat soms sceptisch tegenover Westerse waarden, en geldt als conservatief. Eind augustus hield hij in het Holenklooster in Kiev een ceremonie, waar hij Russische oorlogsgevangenen zegende, voordat deze in het kader van een uitwisseling van gevangenen terug naar Rusland werden gestuurd. Onoefrij liet de gevangenen weten dat deze oorlog onnatuurlijk en een grote zonde was. Hij droeg hen op om dit na hun terugkomst thuis tegen iedereen te vertellen. Deze verzoenende ceremonie, die duidelijk onder het teken van een visie op de twee ‘broedervolken’ stond, heeft in het Oekraïens openbaar leven wel sympathie, maar ook kritiek opgeroepen. Vooral werd Onoefrij verweten, dat hij de agressor niet ondubbelzinnig bij zijn naam had genoemd.

In duidelijke woorden kwam dit verwijt van bisschop Evstratij (Zorja), woordvoerder van de alternatieve OKOe. Deze kerk gebruikt voor haar zelfidentificatie een meer homogeen nationaal Oekraïens verhaal, dat vooral door de lens van vreemde heerschappij en kolonialisme tegen de lange gezamenlijke geschiedenis met Rusland en Moskou aankijkt. Inmiddels zijn, ondanks de eerder geformuleerde goed bedoelde oproepen tot een dialoog, tussen de kerken de oude stereotypes meer actief dan ooit. Dat betekent dat de OeOK voor velen nog steeds als ‘vijfde colonne’ en als geheime bondgenote van Rusland geldt, met – vermeende – tendensen tot een geestelijke ondermijning van Oekraïense zelfverdediging en verzet.

Of dat terecht is, is maar de vraag. Weliswaar zijn recent video-opnames van liturgische ceremonies verschenen, waarop in een Oekraïens klooster de verdediging van de “heilige moeder Roes” werd gehuldigd. Kort daarna begonnen politie en geheime dienst met invallen en huiszoekingen bij kloosters, gemeentes en bisschoppen. Bij sommigen bisschoppen en priesters werden geschriften gevonden die over de heilige eenheid van de Russische kerk spraken. Enkele bisschoppen in het door Rusland bezette Oosten spraken zich duidelijk uit voor de rechtvaardigheid van de Russische aanval. Ook de rol van het Holenklooster in Kiev en diens archimandriet Pavel (Lebed), die eerder bekend stond vanwege zijn pro-Russische sympathieën, is onduidelijk. Bij de tot nu toe bij de huiszoekingen gevonden geschriften en materialen is niet altijd helder, of het alleen om traditionele uitingen van verbondenheid met de Russische kerk gaat, die in oude gebedsteksten bewaard zijn gebleven, of om expliciete en politieke stellingnames in de huidige oorlogssituatie. Daar staat tegenover, dat juist de OeOK de meeste verwoestingen van kerkgebouwen heeft ondervonden door de oorlog. Ook aan het beroemde klooster van Sviatohirsk, in de regio Donbas, zijn de beschadigingen groot. Andrei Sjisjkov, een Russische theoloog en kenner van de kerkelijke ontwikkelingen in Rusland en Oekraïne, spreekt van slechts 1% van de gelovigen als ‘zwarte schapen’, terwijl de overgrote meerderheid van de gelovigen van de OeOK loyaal zijn, in het Oekraïense leger vechten, en hun landgenoten in alle opzicht ondersteunen. Velen, zoals de theoloog en professor van de Theologische Academie in Kiev, Sergii Bortnyk, willen nog steeds aan hun kerk de rol van een bemiddelaar tussen de fronten toewijzen, maar spreken inmiddels, anders dan in de enthousiaste fase in de vroege zomer, nauwelijks meer van een hereniging van Oekraïense kerken, maar van een naast elkaar bestaan in wederzijdse respect.

Bortnyk zei ook dat de OeOK het aanstaande onderzoek door de staat naar haar statuten en structuren, rustig kan afwachten – juist omdat het dan officieel kan worden vastgesteld dat er geen verbindingen naar Moskou meer zijn. Ook de priester en theoloog Cyril Hovoroen, eerder woordvoerder van de OeOK, schrijft in een blog dat het niet kan gaan over een verbod van deze kerk, maar veeleer om een ‘zuivering’ van nog bestaande ‘toxische’ elementen. Bovendien heeft de OOeK einde november op een ander synode besloten om nu de myronwijding (de wijding van de zalfolie dat voor bijvoorbeeld de wijding van bisschoppen wordt gebruikt) zelf te doen. De OOeK doet hierbij beroep op een traditie, volgens welke dat voor 1917 in het Holenklooster van Kiev al werd gedaan. Het zelfstandig uitvoeren van de myronwijding is in de Orthodoxe traditie een kenmerk van een zelfstandige (autocefale) kerk.

Maar toch is de sfeer gespannen. Dat de algemene stemming zich nu langzamerhand tegen de OeOK begint te keren, is eerst te wijten aan het feit dat de kerkleiding een passieve rol heeft gespeeld. De uitingen van pro-Russische sympathieën van geestelijken en leken zijn niet de kop ingedrukt door de geestelijke leiders van de OeOK. Het was wellicht verstandiger om nogmaals expliciet stelling te nemen tegen dergelijke uitingen. Anderzijds bestaat er algemeen een gestaag toenemende anti-Russische sfeer, waar in de steden de “Poesjkinstraat” hernoemd wordt, en een museum van de Russischtalige, in Kiev werkende schrijver Michail Boelgakov (sinds de jaren 1930 bekend door zijn roman De Meester en Margarita) wordt gesloten. Andersom gebruikt het patriarchaat in Moskou de invallen en huiszoekingen vaak als aanleiding om opnieuw van ‘kerkvervolging’ te spreken.

Er is hoop dat de situatie niet verder escaleert. Dat de OeOK in Oekraïne volledig en als geheel wordt verboden, is om meerdere redenen niet waarschijnlijk. Een van de belangrijkste redenen is dat in Oekraïne de religieuze gemeenschappen niet als een overkoepelend orgaan worden geregistreerd, maar enkel de lokale communiteiten, zoals parochies, kloosters en dergelijke. Hoewel een klooster of parochie gesloten en een geestelijke strafbaar gesteld kan worden, verondersteld dat daarvoor een juridische basis is, is een algeheel verbod van een religieuze gemeenschap niet mogelijk. Ook zou een dergelijke stap geen teken zijn van politieke slimheid. De OeOK heeft met haar ruim 12.000 parochies in het land waarschijnlijk het grootste aantal gelovigen achter zich (dit in vergelijking met ongeveer 6000-7000 parochies van de OKOe). Het gaat dus zeker niet om een minderheid.

Maar toch worden de tijden voor de OeOK moeilijker. Op 6 december, heeft de ministerraad van Oekraïne de voorzitter van de ‘Dienst voor Ethnopolitiek en Vrijheid van Geweten’, Olena Bohdan, ontslagen. Bohdan, socioloog en professor aan de befaamde Mohyla-Academie in Kiev, heeft samen met haar medewerkers haar best gedaan om de beladen religieuze conflicten in de Oekraïense samenleving te de-escaleren. Inmiddels werd de onafhankelijk agerende dienst aan de president onderschikt gemaakt, en voorzien van een nieuwe voorzitter, Viktor Jelenskyj. Jelenskyj staat bekend als een deskundige socioloog en religiewetenschapper, maar ook als een felle aanhanger van een nationale, niet aan Rusland verbonden Orthodoxie, en van de alternatieve OKOe. Van hem is minder strikte neutraliteit te verwachten. Jelenskyj werkt nu ook als adviseur voor president Zelenskij in religieuze aangelegenheden.

Zelenskij heeft zijn oorspronkelijke, neutrale koers in zake religiepolitiek inmiddels laten varen. “Wij garanderen voor onze staat volledige onafhankelijkheid. Met name, geestelijke onafhankelijkheid. Wij zullen nooit en niemand toestaan om een imperium binnen de Oekraïense ziel in te richten”, liet hij in een video-toespraak op 1 december weten. Tegelijkertijd heeft de nationale veiligheidsraad opdracht gegeven tot het uitwerken van een wetvoorstel dat de activiteiten van religieuze instellingen die contacten onderhouden met buitenlandse, vijandige instituten strafbaar zou stellen. Ook kreeg de eigenlijk al sinds jaren gevoerde discussie over de ‘juiste’ datum voor kerst recent een nieuwe dynamiek. De Russische kerk en de OeOK vieren kerstmis volgens de oude Juliaanse kalender op 7 januari, vele andere Orthodoxe Kerken hebben de kerstdatum in de loop van de 20ste eeuw al aangepast. Vooralsnog hebben de verschillende kerken toegestaan, dat op beide data een kerkdienst mag worden gevierd.

Einde december volgden nieuwe geschillen rondom het Holenklooster in Kiev. Het grote complex van gebouwen is – zoals alle kerken en kloosters op Oekraïens grondgebied – formeel in bezit van de staat. Kerken worden algemeen door de staat ter beschikking gesteld aan religieuze gemeenschappen, op basis van bijvoorbeeld pachtovereenkomsten. Dat was ook bij het Holenklooster het geval: een deel van het grote areaal bleef een museum, een ander deel was ter beschikking gesteld aan de OeOK, en bevatte kerken, kloostergebouwen en een theologische academie. Voor twee van de kerken, daaronder de bekende Ontslapenis van de Moeder Gods-Kathedraal (Oespenskij Sobor) in het centrum van het complex, werd begin 2023 de pachtovereenkomst niet verlengd. Begin januari werd de kathedraal aan de concurrerende OKOe overgedragen – voor het Orthodoxe kerstfeest.

Dit is een zorgwekkende ontwikkeling. President Zelenskij werd drie jaren geleden juist vanwege zijn neutraliteit in dit opzicht – hij is zelf van joodse afkomst – als president gekozen, in tegenstelling tot zijn voorganger Petro Porosjenko, die de verkiezingscampagnes voerde met slogans zoals: “Een volk, een leger, een geloof.” Een meerderheid van Oekraïners koos destijds in plaats van kunstmatige homogeniteit vooral voor vrede tussen de religies, wat ook als een kenmerk van de Oekraïense nationale traditie en van de geschiedenis van een grensland kan worden gezien. Misschien is dat nog steeds de wens van een meerderheid. Maar in tijden van oorlog komt, helaas, ook tolerantie en de vrede tussen de religies in het gedrang.

Portret: Higumen Aimilianos van het klooster Simonopetra op de Athos (1934-2000)

Door Gerard Mathijsen.

Ik heb higumen Aimilianos een keer ontmoet bij een bezoek aan het Meteoraklooster in 1970, waar hij leidinggaf aan de jonge mensen die aan het werk waren bij het klooster. Zij gaven stilzwijgend een getuigenis van vreugde en geloof dat een blijvende indruk op mij maakte. Tijdens die pelgrimage ontmoetten wij op de Athos onder andere abt Basilios Gondakakis, die veel later bij de begrafenis van zijn vriend Aimilianos de homilie zou uitspreken. Met hem mochten wij meerdere goede gesprekken hebben, en naderhand kon ik hem zelfs voor een vriendenprijs de Patrologia Graeca van Migne bezorgen die ik bij de veiling van een kloosterbibliotheek op de kop kon tikken ten behoeve van de monniken van het klooster van Stavronikita. In dit korte portret wil ik graag ingaan op het bijzondere leven van higumen Aimilianos. Daarnaast heb ik een Nederlandse vertaling gemaakt van de Engelstalige artikelen van Maximos Constas over higumen Aimilianos, zie hieronder.

Alexandros Vafeidis werd geboren in Nikaia, Piraeus in een orthodoxe familie. Zijn moeder en zijn grootmoeder werden als weduwe monialen, de vader van zijn moeder had theologie gestudeerd aan de Theologische Hogeschool van het patriarchaat Constantinopel op het eiland Chalki. Het familieleven was doordrenkt van vroomheid. De jongeman was een uitstekend student en na zijn middelbare school ging hij naar de Universiteit van Athene, waar hij begon met een studie rechten. Na twee jaar ging hij over naar de Theologische Faculteit. Hij was actief in het kerkelijk jeugdwerk en toonde uitgesproken leidersgaven. Zijn ideaal was om in het buitenland te gaan werken als missionaris, maar hij wilde zich spiritueel voorbereiden in een klooster. In 1960 plaatste hij zich onder het gezag van metropoliet Dionysios van Tricala die een sterk bevorderaar was van het monastieke leven. Hij werd monnik, ontving de naam Aimilianos, en kreeg als standplaats het Barlaam klooster op de Meteora in midden-Griekenland.

In 1960 werd hij diaken gewijd, in 1961 priester. Toen bracht hij 4 maanden door in een klooster waar de oude monniken hem met argwaan bekeken en hij een crisis moest doormaken en zich verloren voelde. Een buitengewoon sterke mystieke ervaring, die doet denken aan de lichtvisioenen van Symeon de Nieuwe Theoloog, veranderde zijn leven. De bisschop zal zijn ongewone geestelijke groei hebben opgemerkt, want hij stelde hem ondanks zijn jeugd aan als overste van het grootste klooster op Meteora. Daar bestudeerde hij de klassieke teksten van het cenobitisch leven en legde hij zich toe op strenge ascese.

Na een jaar bevorderde de bisschop hem tot archimandriet, en vroeg hem het jongerenpastoraat in het diocees ter hand te nemen. Dit bleek een gouden greep; hij had grote invloed op de jeugd en er vormde zich een groep die enthousiast was voor het monastieke leven. Zelf vormde hij zich in contact met heilige monniken op de Athos en elders. Hij slaagde erin zijn cenobitisch ideaal over te dragen en te organiseren, niet alleen voor jonge mannen, maar ook voor jonge vrouwen, die hij samenbracht, eerst in een metochion van de Meteora. Vanaf 1974 krwamen deze groepen samen in Ormylia, Halkidiki een metochion van een Athos klooster in de nabijheid van Saloniki.

Omdat het leven op Meteora bemoeilijkt werd door de toestroming van toeristen week de gemeenschap uit naar de Athos en vestigde zich in het grote klooster van Simonpetra. De kleiner wordende gemeenschap van dat klooster had daartoe uitgenodigd en koos Aimilianos als haar Higumen. Hij wist hier respect voor de traditie te harmoniëren met praktische vernieuwingen en maakte het klooster tot een model voor hedendaags orthodox kloosterleven. In Frankrijk werden drie huizen gesticht afhankelijk van en verbonden met Simonopetra.  Bij het klooster Ormylia werd een gezondheidscentrum gesticht waar kankerpatiënten gratis verzorging ontvangen. Vader Aimilianos werd in de orthodoxe wereld een veelgevraagde spreker op congressen, niet alleen in Griekenland maar ook in Europa en elders. Vanaf 1995 kreeg hij ernstige gezondheidsklachten en in 2000 trok hij zich terug als Higumen. Van toen af werd hij verzorgd in Ormylia, waar hij bijna 20 jaar verpleegd werd, terwijl hij tot geen enkele vorm van communicatie in staat was. Op 9 mei 2019 is hij daar ontslapen. Hij was een getuige van Christus in onze tijd, dat hij getuigde door zijn leven, door zijn woorden, en door zijn woordeloos lijden gedurende ruim 20 jaar. De zusters van Ormylia verzorgen de uitgave van zijn teksten ook in Franse en Engelse vertaling.

Hieronder vindt u twee video’s de processie in Ormylia, Halkidiki van Higumen Aimilianos van Simonopetra.

© Orthodoxia News Agency en Albishara TV. Video’s zijn gemaakt door Orthodoxia News Agency. Gepubliceerd op YouTube door Albishara TV in samenwerking met het Klooster van Sint-Kyriaki in Loutro, Griekenland (deel I).
© Orthodoxia News Agency en Albishara TV. Video’s zijn gemaakt door Orthodoxia News Agency. Gepubliceerd op YouTube door Albishara TV in samenwerking met het Klooster van Sint-Kyriaki in Loutro, Griekenland (deel II).

Gerard Mathijsen is een Nederlandse benedictijner monnik en voormalig abt van de Sint-Adelbertabdij in Egmond-Binnen. Hij volgde een studie theologie in Oosterhout, Egmond en Tilburg. Tussen 1967-1970 volgt hij nog een studie in Rome. In 1978 trad Mathijsen in bij de Sint-Adelbertabdij, waar hij in 1981 tot prior administrator werd benoemd. Mathijsen is in 1984 gekozen als abt, een positie die hij tot juni 2020 heeft vervuld.

Orthodox Library: een project in opbouw

Door Redactie Platform Oosters Christendom.

Onlangs is het Instituut voor Oosters Christendom benadert om meer te werken aan een groot project. Het Orthodox Library-project. Stelt u zich eens voor? Alle Engelstalige literatuur beschikbaar in één online database? Dat is het ambitieuze project van de World of Orthodoxy voor de Orthodox Library (Orthodoxlib). Het is nog een project in opbouw, maar het klinkt als een veelbelovend plan.

World of Orthodoxy

Het World of Orthodoxy is een ambitieus project, waarbij de organisatoren middels 6 deelprojecten een onafhankelijk educatie platform willen zijn over allerlei facetten van het Oosters en Oriëntaals christendom. De deelprojecten dienen een zo breed mogelijk publiek te bereiken, zoals gevestigde wetenschappers, studenten, en een breed publiek van geïnteresseerden. De 6 deelprojecten zijn: orthodoxe liefdadigheid, orthodoxe iconen, orthodoxe muziek, orthodoxe heiligen, orthodoxe bibliotheek en orthodoxe internetdatabank. Voor elk van deze deelprojecten wordt een volledig platform ontwikkeld dat onafhankelijk zal bestaan van de andere projecten.

Orthodoxy Library (Orthodoxlib)

De projectmedewerkers van World of Orthodoxy zijn opzoek naar adviseurs met kennis over patristiek, patrologie, theologie en erfgoed gerelateerd aan het Oosters en Oriëntaals christendom. Hierbij gaat het vooral om de selectie van relevante (Engelstalige) literatuur voor de online bibliotheek. Middels de samenwerking met andere instantie pogen de projectmedewerkers een online database samen te stellen voor iedereen die geïnteresseerd is in het Oosters en Oriëntaals christendom. De relatie met universiteiten en andere religieuze instellingen is vooral gericht op de uitwisseling van informatie. Voor het volgen van de ontwikkelingen van het project, zie hier.

Vacature redacteur Platform Oosters Christendom

Door Instituut voor Oosters Christendom.

Functie
Het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC) is op zoek naar een redacteur voor het journalistieke project in opbouw Platform Oosters Christendom, een website met nieuwsberichten en achtergrondartikelen over het Oosters en Oriëntaals christendom. Dit project is bedoeld als bron van betrouwbare informatie over de wereld van de oosterse christenen, en tegelijk als schakelpunt tussen de academie en een breder, betrokken publiek.


Het IvOC is erop gericht om de wetenschappelijke kennis over het Oosters en Oriëntaals christendom uit te breiden, toegankelijk te maken en zo goed mogelijk te vertalen naar een breed publiek, zowel binnen en buiten de academische wereld als binnen en buiten de kerkelijke wereld.


Als redacteur bent u een enthousiaste collega met zin in teamwork, met ervaring zowel in wetenschappelijk onderzoek als in de journalistiek, en met een aantoonbare gevoeligheid voor en kennis van de wereld van Oosters en Oriëntaals christendom. U vindt het een uitdaging een online platform vorm te geven en samen met de directeur, overige staf van het IvOC, redactieleden en schrijversgroep op te bouwen.

Taken
-Het coördineren van het project Platform Oosters Christendom, waaronder het uitvoeren van de administratie van het netwerk, de correspondentie met auteurs en het werven van teksten.

-Bijhouden van de website middels WordPress.

-Opsporen van relevante thema’s en onderwerpen door regelmatige consultatie van bronnen, websites en pers.

-Contacten onderhouden met relevante instellingen zoals media, stichtingen, kerkelijke instellingen enzovoorts.

-Redactie van bijdragen in het Nederlands van anderen.

-Vertaling en redactie van bijdragen in het Engels, Duits en Frans.

-Deelname aan en voorbereiding van redactiebijeenkomsten binnen het IvOC.

-Betrokkenheid bij andere IvOC-projecten en -activiteiten, zoals tentoonstellingen, workshops enzovoorts.


Profiel
– U heeft een master of vergelijkbare graad verworven in een relevante discipline (zoals theologie, religiewetenschappen, kerk/religiegeschiedenis, godsdienstsociologie etc.).

– Idealiter bent u bezig (geweest) met een project/artikel over een aan het oosters christendom gerelateerd onderwerp.

– U beschikt over ervaring in de journalistiek, in het schrijven en redigeren van teksten, het coördineren van journalistieke projecten en het opsporen van relevante thema’s.
– U heeft ervaring met website-administratie en journalistieke onlineprojecten, waarbij kennis over de AVG, auteursrechten en copyright een pre zijn.

– U heeft ervaring met WordPress.

– U beschikt idealiter over een netwerk in de oosters-christelijke gemeenschap in Nederland en internationaal.

– U heeft een goede schrijfstijl in het Nederlands.

– U heeft ervaring met het vertalen van teksten in het Engels, Duits en Frans naar het Nederlands.

– U beschikt over aantoonbare kennis van en gevoeligheid voor het oosters christendom en u heeft een goede neus voor nieuwswaardigheden binnen de wereld van het oosters christendom.

– Kennis (leesvaardigheid) van een of meerdere talen uit de wereld van het oosters christendom is een pre.


Wij zijn

Het Instituut voor Oosters Christendom is een kenniscentrum dat als spil fungeert in een internationaal netwerk van onderzoekers, oosters- en oriëntaals orthodoxe en oosters-katholieke gemeenschappen, de wereld van de religieuzen, christelijke organisaties, geïnteresseerden en maatschappelijke partners op het gebied van het Oosters en Oriëntaals christendom in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten, met speciale aandacht voor context gerelateerde ontwikkelingen (waaronder orthodox-christelijke vluchtelingen, kerk en staat/samenleving Oost en West, diaspora). Het IvOC werkt interdisciplinair, met focus niet alleen op theologie, maar ook op religiewetenschappen, geschiedenis, cultuurwetenschappen, sociologie enzovoorts.


Het Instituut voor Oosters Christendom is als para-universitair instituut nauw verbonden met de Radboud Universiteit in Nijmegen. Het is in 1991 opgericht als voortzetting van het Instituut voor Byzantijnse en Oecumenische Studies dat gedurende veertig jaar heeft gefunctioneerd onder leiding van de congregatie der Paters Assumptionisten. De Assumptie is via vertegenwoordiging in het bestuur van IvOC en van de steunstichting SAI nog steeds betrokken bij het instituut. Het Instituut voor Oosters Christendom is in het Nederlands taalgebied uniek in zijn soort.

Wij bieden

Tijdelijk dienstverband à 0,5 fte van 2 jaar. Bij een succesvolle exploitatie van het Platform Oosters Christendom bestaat de optie tot een verlenging.

Maandsalaris: schaal 9 of 10, 2979-4490 euro voor een 38-urige werkweek, afhankelijk van opleiding en aantal jaren (relevante) werkervaring, met 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering. IvOC volgt grotendeels de CAO Nederlandse Universiteiten.

Sollicitatieprocedure

U kunt op deze vacature reageren tot uiterlijk 13 januari 2023. Richt uw sollicitatie aan prof. dr. Brüning via secretariaat@ivoc.ru.nl. Graag ontvangen we bij uw sollicitatie de volgende documenten:


– Sollicitatiebrief met motivatie

– CV

– Overzicht van publicaties, idealiter met tekstvoorbeelden

– Referenties (1 of 2)


Een sollicitatiecommissie bestaande uit leden van het bestuur en de staf van IvOC maakt een selectie uit binnengekomen sollicitaties. Zodra deze selectie is verricht ontvangt u bericht of u uitgenodigd wordt voor een gesprek, of dat uw sollicitatie is afgewezen, dan wel in portefeuille wordt gehouden. Mocht u uitgenodigd worden voor een gesprek dan krijgt u een aanvullende opdracht ter voorbereiding op het sollicitatiegesprek. We proberen de kandidaten zo snel mogelijk te informeren, doch uiterlijk vier weken na het sluiten van de sollicitatietermijn.


De gesprekken met kandidaten zullen plaatsvinden bij het IvOC in Nijmegen. Kandidaten met wie een gesprek heeft plaatsgevonden worden persoonlijk geïnformeerd over de uitkomst. Als u geselecteerd wordt voor deze functie ontvangt u een uitnodiging voor een gesprek waarin de arbeidsvoorwaarden voor uw contract worden besproken.

Privacy
We gaan zorgvuldig en vertrouwelijk om met persoonlijke gegevens. We maken alleen gebruik van gegevens en documenten die u voor deze sollicitatie instuurt. Deze zullen niet toegankelijk zijn voor derden.


We zullen al uw gegevens en andere documenten binnen vier weken na voltooiing van de sollicitatieprocedure uit ons selectiebestand verwijderen, tenzij anders met u is overeengekomen.


Als u aangenomen wordt zullen we uw gegevens opnemen in uw personeelsdossier. Voor meer informatie zie hier.

Op zoek naar samenhang: het werk van iconenschilder vader Zinon (Teodor)

Door Paul Baars.

Een korte biografie

Voordat vader Zinon (Teodor) monnik werd, heette hij ‘in de wereld’ Vladimir Teodor. Hij werd geboren in 1953 in het stadje Pervomaisk (‘De eerste mei’) in Oekraïne, niet ver van Odessa. Zijn ouders hadden, zoals dat in de late Sovjet-tijd gebruikelijk was, geen band meer met een kerk. Zijn oma heeft hem als kleine jongen  toch meegenomen naar de kerk. De bijzondere en gewijde sfeer maakte op hem een diepe indruk. Deze sfeer is altijd in zijn geheugen blijven hangen. Vladimir heeft vanaf zijn jeugd altijd getekend en geschilderd. Na zijn middelbare school ging hij dan ook naar de kunstacademie, waar hij een klassieke opleiding genoot. De ontmoeting met klassieke kunst riep voor hem vragen op naar het christendom en de Bijbel. Dat bracht hem geleidelijk bij het Orthodoxe geloof en bij de iconen.

Vladimir begon zelf iconen te schilderen, wat toen nog een enigszins omstreden bezigheid was. Er was al wel historische belangstelling voor iconen, maar er waren nog nauwelijks leraren die in de kerkelijke traditie stonden. Boeken over ‘iconen’ werden toen gecatalogiseerd onder het kopje ‘Oudrussische schilderkunst’, waarin de christelijk achtergrond van iconen nog niet aan de orde kwam. Vladimir begon daarom met het kopiëren van enkele oude iconen die hij in musea kon bezichtigen. Hij rondde zijn studie succesvol af en moest daarna twee jaar in militaire dienst. In 1976 besloot hij monnik te worden in het klooster van de Ontslaping van de Moeder Gods (het Holenklooster) bij Pskov. Hij kreeg de naam Zinon. Nadat hij zijn geloften had afgelegd, werd hij snel diaken en priester gewijd en kon hij zich geheel concentreren op het schilderen van iconen.

In de daaropvolgende jaren kwam er voor iconenschilders veel werk, omdat geleidelijk meer kerken en kloosters opengingen. Die moesten vaak  opnieuw worden ingericht. Na de opheffing van de Sovjet-Unie in 1991 sloeg Zinon zijn vleugels ook internationaal uit en nam hij opdrachten aan in Finland, Oostenrijk, Griekenland en België. In 1994 bracht hij fresco’s aan in de Abdij van Chevetogne in België in de Latijnse kerk. Hij gaf in die periode ook schildercursussen in Italië. Hieruit blijkt dat hij goede contacten had met medechristenen van de Rooms-Katholieke Kerk. Rond 1993 werd hij hegumen (prior) van het Myrozjski klooster in Pskov. Deze kerk staat op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. De staat had het klooster aan de Orthodoxe Kerk teruggegeven onder voorwaarde dat archimandriet Zinon de leiding zou krijgen over de restauratie van het hele complex en de hoofdkerk een museum zou blijven. Dat was het resultaat van een lange discussie tussen het bisdom en de specialisten van de stad. De bisschop wilde de hoofdkerk weer in gebruik nemen voor de liturgie en de unieke fresco’s uit de 13de eeuw wit laten overschilderen! Gelukkig zijn de unieke fresco’s bewaard gebleven. Zinon kreeg ook de leiding van de iconenschilderschool in het klooster. De functies brachten veel organisatorisch werk met zich mee voor Zinon. Deze leefstijl staat op gespannen voet met het kerkelijke en spirituele leven van een monnik.

© Paul Baars (fotograaf) – Iconen van vader Zinon in de Latijnse kerk van de Abdij van Chevetogne.

Er kwamen ook westerse cursisten naar de school. Dat leidde in 1996 tot een incident. De Italiaanse katholieke priester Romano Scalfi hield in een van de kerken van het kloostercomplex een eucharistieviering en vader Zinon ging daarbij ook ter communie. Hoewel het een besloten viering was, kwam deze gebeurtenis toch bij aartsbisschop Jevzjevi (Savvin) van Pskov en Velikije Luki terecht. Vader Zinon en de hele communiteit werden gestraft en weggestuurd (ook de monniken die er niet bij waren). Zinon mocht zijn functie als priester niet meer uitoefenen. Het voorval veroorzaakte discussie binnen en buiten Rusland. Hoe je er ook over denkt, het gevolg was wel het einde van de communiteit, en van zijn schilderschool en een teleurstelling voor de gelovigen die zich daar thuis voelden. De katholieke parochie van Pskov was al in 1989 weer opgericht. Wellicht was het verstandiger geweest deze eucharistie daar te vieren.

De bisschop plaatste enkele nieuwe monniken in het Mirozjski klooster. Die zetten de schilderschool voort. De leider van die school werd priestermonnik Aleppi. In sommige opzichten was vader Aleppi de tegenpool van vader Zinon. Hij was een monarchist en schilderde iconen van Grigori Raspoetin, wat strikt genomen ook niet geoorloofd was. Raspoetin is omstreden en nooit heilig verklaard. De stenen iconostase die vader Zinon in de kerk van de heilige Stefanus van het klooster had gebouwd werd niet afgebroken. Dat mocht niet van de beheerscommissie van het klooster, waarvan kunstenaar Aleksander Strojlo voorzitter was. Er werden wel andere iconen voor gezet om de herinnering aan vader Zinon te verbergen. Patriarch Kirill rehabiliteerde vader Zinon na enkele jaren, maar aartsbisschop Jevzjevi accepteerde dat niet.

Vader Zinon stichtte daarop met twee van zijn medebroeders, Pjotr en Pavel, een kloostertje in een datsja nabij het dorp Zwerstónj in de regio Pskov dat rechtstreeks onder de patriarch viel. Ze bouwden met materialen uit de omgeving een kleine kapel. Die kapel kreeg geen iconostase, alleen een laag muurtje als afscheiding voor de altaarruimte. Er hingen in de kapel maar twee iconen: van Christus en van de Moeder Gods. Vader Zinon leefde hier rustig en afgezonderd, zocht geen contact met de pers en kon zich volledig concentreren op zijn werk als schilder. Pjotr en Pavel hielpen hem met het voorbereiden van de planken en de kleuren. Enkele van mijn vrienden van de parochie van de Mirredragende Vrouwen in Pskov hielpen het klooster in Zwerstónj. Er heerste een eenvoudige, gemoedelijke en serieuze sfeer. Na enkele jaren vertrok Zinon naar Sint-Petersburg. Broeder Pavel kwam later om het leven toen de datsja afbrandde. De familie vroeg de aartsbisschop de straf te herroepen om een kerkelijke begrafenis mogelijk te maken. Hij was niet bij het incident in 1996 aanwezig geweest. Hoewel de aartsbisschop dat wist, weigerde hij toch.

Een hoogtepunt in het werk van vader Zinon is de inrichting van de benedenkerk van de Feodorovkij- hoofdkerk in Sint-Petersburg, waaraan hij in 2012/13 aan werkte. De kerk is toegewijd aan de Feodorovskaja icoon van de Moeder Gods en in 1913 enorm uitgebreid ter ere van het 300-jarig bestaan van de dynastie van de Romanovs. Het complex diende in de communistische periode als melkfabriek en werd in 2007 aan de Orthodoxe Kerk teruggegeven. Men herstelde de grote bovenkerk, zoals die er in 1915 uitzag met een grote houten iconostase. In de benedenkerk, binnen de beperkingen die de aanwezige architectuur met zich meebracht, kreeg Zinon een grote vrijheid voor zijn creatieve ideeën. De restauratie en de inrichting moeten een kapitaal gekost hebben. Een taxichauffeur die mij er een keer naar toe bracht, kon niet nalaten het volgende op te merken: “Wat een luxe! De kerk is bij ons allemaal business!” Dat doet in dit geval aan de kwaliteit niets af. Op de terugweg van mijn bezoeken aan Pskov heb ik de kerk tussen 2013 en 2019 jaarlijks bezocht. De kerk maakte een grote indruk op mij. Het is een samenvatting van de opvattingen van vader Zinon over iconen en over de inrichting van een kerk.

Terug naar het begin

Vader Zinon ging in zijn creatieve zoektocht steeds verder terug naar het begin van de iconenschilderkunst. Die reis begon voor hem bij de oude Russische schilderscholen van onder andere Novgorod, Pskov, Soezdal en Vladimir. Karolingische fresco’s en boekillustraties uit de 11de eeuw kregen zijn belangstelling. Vandaar ging hij verder terug naar de oudste iconen van voor het iconoclasme uit de 6de eeuw, naar de oudste technieken, naar de oude basilieken in Italië vanaf de 6de eeuw (waaronder de San Clemente in Rome en de oudste kerken van Ravenna). Hij bestudeerde de dodenmaskers gevonden bij Fayoum in Egypte (2de tot en met de 4de eeuw na Christus), de mozaïeken en fresco’s, opgegraven in villa’s in het Romeinse Rijk uit het begin van onze jaartelling, en de eerste christelijke afbeeldingen in de catacomben van Rome. De latere Grieks-Orthodoxe tradities lijken minder invloed gehad te hebben op zijn werk.

Het gaat hem er niet om die oude voorbeelden te kopiëren. Zelfs al zouden we dat proberen, we blijven mensen van onze eigen tijd. Dat kan en hoef je niet te verbergen. Het gaat erom die voorbeelden te begrijpen, ze tot je te laten doordringen en van daaruit zelf aan de slag te gaan. Je moet daarbij zowel nederig als dapper zijn. Nederig omdat je je wat gelegen laat liggen aan de traditie van de kerk, dapper omdat je niet zomaar meegaat met wat je omgeving van je verlangt. Je kan niet iedereen tevreden stellen. Een leerling van vader Zinon in Pskov vertelde mij: “Wanneer ik een icoon ging schilderen, plaatste hij het voorbeeld in de kapel en zei: ‘Ga daar eerst maar eens een ochtend naar kijken.’ Daarna moest ik geen voortekening uit een boek overtrekken, maar moest ik vanuit mijzelf de contouren neerzetten.” Je kunt ook anders beginnen, maar het is wel typisch voor de aanpak van Zinon. Hij kon vrij radicaal zijn, ook voor zichzelf.

Ik heb bij dit uitgangspunt wel een vraagteken. Natuurlijk zijn er in latere periodes fases van verval geweest. Ik denk dan aan zoetelijke ‘Roomsche’ romantische iconen uit de 19de eeuw, iconen en iconostases, waarin zowat alles wat je kunt bedenken is afgebeeld, aan iconen waarin de heilige verdwijnt in een lading zilver en goud (voor mij olicharchische iconen), iconen in massaproductie, die de uitstraling hebben van een reclameposter, iconen met aan de onderkant veertig plastic bolletjes met minieme relieken van allerlei heiligen om iedereen tevreden te stellen. Dat alles is soms omgeven door allerlei vormen van electrische verlichting. Maar dat wil nog niet zeggen dat je per se terug moet naar het begin om een icoon te schilderen die intens is en uitnodigt tot gebed. Bovendien vinden veel gelovigen wat ik hier allemaal heb afgekeurd prachtig. Dat mag je hen niet afnemen, hoewel ik zelf die weg niet op zou gaan.

Tot 1985 waren er slechts enkele oude iconen in musea te bezichtigen. Ik heb de indruk dat de herontdekking van die oude iconen, die al aan het einde van de Sovjetperiode op gang is gekomen, in Rusland niet zo breed is aangeslagen. Het sloot niet aan bij de behoeften van de meeste gelovigen en niet bij de prioriteiten van het kerkelijk instituut op dat moment. In het Westen is daarvoor meer aandacht geweest. Russische immigranten en vluchtelingen die in het Westen vrij konden werken, wisten de iconen onder de aandacht te brengen. Dat werd versterkt door de interesse voor de ‘Oosterse’ kerken die in het Westen na 1925 en sterker nog na het Tweede Vaticaanse Concilie op gang kwam. De Griekse traditie was al langer toegankelijk. De Russische migranten kregen ook rooms-katholieke en protestantse leerlingen die nu na vele jaren werkelijk waren ingewijd in de theologische en liturgische achtergronden van de iconen.

De iconenschilder als kenner van de traditie, als kunsthistoricus en liturgist

Over de benedenkerk van de Feodorovskij-hoofdkerk zijn diverse publicaties verschenen, waarvan het boek Anastasis (2013) de belangrijkste is. Dat boek is heel leerzaam, omdat vader Zinon daar nauwkeurig uitlegt waarom hij die kerk zo heeft ingericht, waarom hij bepaalde thema’s gekozen heeft en hoe hij die heeft uitgewerkt. Hij komt daarin naar voren als erudiet kenner van de theologische, liturgische traditie en van de geschiedenis van de oudchristelijke kunst. Hij gaat daarbij niet dogmatisch te werk en houdt rekening met de plaatselijke omstandigheden. Zo heeft hij zich bij de fresco’s in het klooster van Chevetogne laten beïnvloeden door fresco’s en boekillustraties uit de Karolingische periode.

In de Feodorovskij-hoofdkerk beeldt hij Mozes bij het ‘brandende braambos’ in de diakenruimte af als een jonge man, terwijl de Bijbelse Mozes voor die gebeurtenis al 40 jaar  schapenhoeder was geweest. In de Orthodoxe traditie ziet men Mozes als een voorafbeelding van Christus. Daarom beeldt hij hem af als iemand van dezelfde leeftijd. Waarom hij Mozes zonder baard afbeeldt, verklaart hij niet. Op de muur achter de absis heeft hij de zogenaamde ‘apostelcommunie’ afgebeeld. De apostelen aan de rechterkant hebben hun linkerhand met een doek bedekt. Dat gebruik komt uit de traditie van het Byzantijnse hof, waar men de keizer met een bedekte hand benadert. Dat heeft de kerk van Byzantium overgenomen. In de diakenruimte zijn de eerste diakens afgebeeld en de steniging van de eerste martelaar en diaken Stefanus. In de voorbereidingsruimte zijn enkele ‘voorafbeeldingen’ van de eucharistie uit het Oude Testament afgebeeld, waaronder de ontmoeting van Abraham met de hogepriester Melchisedek.

Uit deze voorbeelden komt een belangrijk principe van vader Zinon naar voren. De iconen en fresco’s die hij schildert, wil hij laten aansluiten bij de liturgische functie die het gedeelte van de kerk heeft waar hij ze aanbrengt. Daarom plaatst hij in de diakenruimte diakens, achter het altaar (als centrum van de eucharistieviering) de apostelcommunie en in de voorbereidingsruimte afbeeldingen uit het Oude Testament. In veel iconostases tref je iconen aan van de twaalf grote feesten van het kerkelijk jaar. Zinon zou daar op die plek dus niet zo gauw voor kiezen. Je kunt ook andere thema’s kiezen, zolang ze maar passen bij de liturgische functie die ze moeten ondersteunen. In sommige kerken is dat verband door een overdaad van allerhande iconen en fresco’s verloren gegaan. Aan de andere kant geeft die overdaad wel iets weer van de devotie van de gelovigen door de eeuwen heen.

De relativering van de iconostase

In het hedendaagse denken van veel christelijke kerken benadrukt men dat de hele gemeenschap de liturgie viert en niet alleen de geestelijkheid of de voorganger. Vader Zinon laat dat ook in de vormgeving van de kerk tot uiting komen. Tot voor kort was in de meeste Orthodoxe Kerken een hoge iconostase gebruikelijk. De gelovigen zien het altaar alleen op die momenten dat de koninklijke deuren en het gordijn in het midden van de iconostase opengaan. Dat doet volgens Zinon tekort aan de ‘gezamenlijkheid’ van de liturgie en het koninklijk priesterschap dat elke christen door de doop bezit. Het bijzondere priesterschap van de geestelijkheid staat daar niet los van en doet dat niet teniet. Daarom heeft hij ervoor gekozen in de Feodorovskij-hoofdkerk de iconostase voor de altaarruimte weg te laten, of liever gezegd te verplaatsen naar de achterwand van de apsis. Voor de altaarruimte bevindt zich slechts een lage afscheiding met daarin lage deuren. Alle gelovigen kunnen het altaar dus tijdens de hele viering zien. Er is wel een onderscheid, maar geen scheiding meer tussen de gelovigen en de geestelijkheid.

Dat is voor het gevoel van veel gelovigen een grote soms zelfs onaanvaardbare verandering. Je mag dat daarom niet zomaar aan een gemeenschap opleggen. In de Feodorovskij-hoofdkerk was geen bestaande inrichting meer en geen bestaande gemeenschap. Dat gaf de initiatiefnemers de mogelijkheid om wel nieuwe wegen te gaan. Toch is dit ook weer niet zo nieuw. Je kunt het nog in de oude basilieken terugvinden. In de San Clemente te Rome is slechts een lage afscheiding voor het altaar en boven het altaar bevindt zich een baldakijn, dat we ook in de Feodorovskij-hoofdkerk terugvinden. Tot in de 15de eeuw was in Orthodoxe kerken een lage iconostase gebruikelijk met een beperkt aantal iconen. Het viel mij op dat men bij de restauratie van oude kerken in Servië, Bulgarije, Macedonië en Georgië dergelijke lage iconostase vaak weer in ere heeft hersteld.

In de beperking en in de harmonie toont zich de meester

Steeds probeert vader Zinon zich te beperken tot de essentie en die met zo weinig mogelijk middelen uit te beelden. Hij voegt zo min mogelijk details toe. In de benedenkerk van de Feodorovskij-hoofdkerk zijn de kleuren terughoudend, zacht en in harmonie met elkaar. Het geheel van het gebouw vertoont harmonie en samenhang. Alleen aan de Oostzijde, waar het altaar zich bevindt, heeft Zinon fresco’s aangebracht. Aan de overige muren hangt slechts een beperkt aantal iconen, die door verschillende schilders en schilderessen vervaardigd zijn. De materialen en kleuren van de muren en de vloeren zijn zorgvuldig gekozen, bewerkt en op elkaar afgestemd. Aan elk detail is gedacht. Dat geeft haar een rustige en geconcentreerde uitstraling, die op mij weldadig overkomt. Aan de andere kant geeft deze soberheid een wat afstandelijke sfeer. Maar dat is waarschijnlijk wat Zinon wil. Het gaat hem om intensiteit, niet om romantiek.

De benedenkerk is in 1913 toegewijd aan Aleksandr Nevskij en Maria Magdalena. Vader Zinon gaf hen ieder één icoon, onopvallend vooraan op een pilaar. Hij is dus niet meegegaan met de grote verering die de Romanovs, en met name de laatste tsaar en zijn gezin nu hebben in de Russisch-Orthodoxe

Kerk. In een zijruimte heeft hij een klassiek doopbassin laten bouwen, waarin een volwassene kan afdalen en zich helemaal kan onderdompelen. Ook hierin grijpt hij terug op oude kerkelijke tradities. In de vroege kerk waren veel dopelingen al volwassen op het moment van hun doop. Opvallend is het labyrint van wit en zwart marmer centraal op de vloer in de kerk, zoals dat nog te vinden is in enkele middeleeuwse westerse kathedralen, bijvoorbeeld in die van Chartres. In het middel zien we een bloem, die slechts via één route te bereiken is. Dat symbool bestond al in de antieke wereld en staat in een christelijke kerk voor de moeilijke weg naar God en de omwegen, die wij daar soms bij maken.

De dienende status van een iconenschilder

In een interview van Aleksandr Stsjipkov voor Keston News zegt vader Zinon over een iconenschilder het volgende: “Een iconenschilder is geen kunstenaar in de wereldse betekenis van het woord. Hij behoort niet zichzelf uit te drukken in de icoon. Hij moet een icoon zo schilderen dat het een hulpmiddel wordt bij het bidden. Het schilderen van iconen is een integraal onderdeel van de Heilige Liturgie. Een slecht geschilderde icoon hindert op dezelfde manier als slechte kerkelijke zang of het slecht voorlezen van liturgische teksten. God gaf mij het vermogen iconen te schilderen. Mijn talenten behoren aan Hem toe en ik heb geen reden daar zelf trots op te zijn.”

Bibliografie

Brenninkmeijer, Paul, ‘Verheffen tot de hoogte van het Goddelijke visioen’, in: Pokrof. Oosterse christenen, kerken en culturen 4 (2012), pp. 14-16.

Zinon, Teodor, Besedy ikonopistsa (Moskou/Pskov, 2003).

Zinon, Teodor, Besedy ikonopistsa (Sint-Petersburg, 2017).

Zinon, Teodor, Een eigen kijk op de icoon en de kerk (Brugge: Tabor, 1993/2000).

Sorokin, Aleksandr/Zimin, Aleksander (red.), Anastasis (Sint-Petersburg, 2013).

De legitieme verdediging en betrokkenheid van burgers daarbij in een christelijk perspectief

Vertaling door Paul Baars.

Het theologische instituut Saint-Serge heeft een theologisch standpunt ingenomen aangaande de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. De Nederlandse vertaling kunt u hier lezen:

In deze periode van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne wordt de waarheid misbruikt. Daarom ziet de raad van docenten van het theologisch instituut Saint-Serge het als haar plicht om een theologisch standpunt in te nemen om geestelijke helderheid te scheppen.

De mens is niet geschapen om de mens te doden, maar opdat de mens in Christus kan opgaan naar het eeuwige leven. Dat is zijn roeping. Een oorlog doodt niet alleen de mensen die wreedheden begaan, niet alleen gewone soldaten, maar gijzelt ook onschuldige burgers. Het is een van de ergste plagen die de mensheid kent. Om deze reden is een oorlog nooit rechtvaardig of heilig.

Wanneer een staat een ander land binnenvalt, is die staat een agressor. Een land heeft het recht zich te verdedigen tegen agressie. Het is zelfs de plicht van de burgers. In die context is een moreel en spiritueel gezag gerechtvaardigd, omdat het de burgers aanspoort hun plicht om het land te verdedigen te vervullen. Maar dit geldt niet meer, wanneer men begint te verkondigen dat je zonden vergeven worden wanneer je als offer je leven geeft voor de verdediging van je land. De Orthodoxie heeft nooit de leer van de volledige of gedeeltelijke ‘aflaten’ aangenomen, die de Latijnse kerk toekende aan degenen die ermee instemden om te gaan vechten in de kruistochten.

Jezus Christus heeft zijn leven gegeven voor het heil van de wereld. Hoe lovenswaardig het ook is dat een soldaat zijn leven geeft voor de verdediging van zijn vaderland, het maakt geen deel uit van de redding van de wereld. Zo’n soldaat is niet Christus en het vaderland is niet het heil van de wereld. Men mag hier niet spreken over vergeving van zonden. Alleen de gestorven en verrezen Christus heft de zonden van de wereld op. Net als de oorlog is de verafgoding van de natie een plaag, die ons verblindt door de religie terug te reduceren tot een natie. Christus kwam tot ons om ons eraan te herinneren, dat een mens niet uit een natie voortkomt, maar uit God.

Elk jaar herdenken de naties diegenen die hun leven hebben gegeven voor de verdediging van hun land. Ook al is het heldhaftig, deze zelfgave is niet heilig. En niets staat ons toe te verklaren dat de zonden van degenen die daaraan deelgenomen hebben vergeven zijn. Het is God die de zonden vergeeft en niet een heldendaad, hoe heroïsch ook.

Voor onze raad van docenten is het theologisch onaanvaardbaar te denken dat iemand die trouw en maatschappelijk betrokken is en zijn leven geeft op het slagveld een daad volbrengt die gelijkwaardig is aan een offer dat al zijn zonden opheft, daarbij inbegrepen de mogelijke moord op zijn vijanden. Vergeving van zonden hangt niet af van een mechanische beloning voor ‘gedenkwaardige daden’, maar is een mysterie dat uitsluitend toebehoort aan de genade van God als schepper.

Onze raad van docenten roept in herinnering de heilige patriarch Polyeuctos, uit de 10de eeuw, de geestelijke vader van de apostelgelijke prinses Olga, die weigerde in te gaan op het verzoek van keizer Nicophoros Phocas om van de christelijke soldaten die sneuvelde in de oorlog martelaren te maken. Zelfs in een situatie van een legitieme verdediging of in een oorlog blijft het doden van mensen altijd een zonde, zoals de 13de canon van de heilige Basilius aantoont (zij die tijdens een oorlog mensen gedood hebben “hebben geen reine handen”). Om die reden kozen de twee heilige ‘lijden verdragende’ Russische en Oekraïense prinsen Boris en Gleb er in de 11de eeuw voor om te sterven naar het voorbeeld van Christus, liever dan om bloed te vergieten ter verdediging van de staat tegen de staatsgreep van hun neef Svjatopolk.

De raad van docenten van het instituut Saint Serge wil geen politieke evaluatie maken van de verschrikkelijke oorlog die nu woedt. Dat is niet onze roeping. Maar wij beschouwen het als onze plicht het idee van de legitieme verdediging en van de betrokkenheid van burgers daarbij terug te plaatsen in een Orthodox perspectief. Het is aan die betrokken burgers om God te dienen en het is niet aan God om die betrokken burgers te dienen.

(Deze verklaring is aangenomen na een stemming van de vergadering van docenten op 4 november 2022. 19 deelnemers: 14 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 1 onthouding).

De originele verklaring kunt u vinden op de webpagina van het theologisch instituut Saint-Serge, zie hier.

Homoseksuele Orthodoxe christenen, symbolisch kapitaal en onderhandelen over identiteit en macht in het Grieks-Orthodoxe aartsbisdom van Noord-Amerika

Door Frances Kostarelos.

In juli 2022 reisde aartsbisschop Elpidophoros van Amerika naar Griekenland om de twee kinderen van een getrouwd homostel te dopen. Verschillende aanwezigen deelden foto’s van de doop op sociale media. Een lid van de familie bedankte Elpidophoros voor zijn ‘progressieve leiderschap’. Hij bestempelde de gebeurtenis als een “heel speciaal moment” voor de “gehele Grieks-Orthodoxe Kerk”, aangezien dit “het eerste openlijk homoseksuele koppel [is] dat de doop van hun kinderen viert […]”. Binnen enkele dagen berichtten nieuwsuitzendingen over de doop. Deze berichtgeving bood ruimte voor kritiek op Elpidophoros. In het nieuws hebben we kunnen lezen over de ouders die een spraakmakend modebedrijf runnen, miljardairgrootouders, een peetouder die een afstammeling is van een intergenerationele Griekse miljardairfamilie en een groot aantal ambitieuze economische en sociale elites die de doop hebben bijgewoond.[1]

De plaatselijke Griekse bisschop, metropoliet Antonios, die Elpidophoros toestond de kinderen in zijn bisdom te dopen, informeerde de Griekse kerkleiders over de kwestie. Elpidophoros benoemde namelijk niet dat de ouders van de kinderen homoseksueel en getrouwd zijn. Metropoliet Antonios vroeg de Patriarch en de Heilige Synode om Elpidophoros te berispen voor het foutief informeren en het negeren van het verzet van de Grieks-Orthodoxe Kerk tegen homoseksualiteit en het homohuwelijk. Tot op heden heeft Elpidophoros niet gereageerd op de beschuldigingen van metropoliet Antonios en andere kerkelijke collega’s die vraagtekens zetten bij zijn acties.[2] Hij heeft de kwestie over de homoseksualiteit, het huwelijk en het gezin niet behandeld sinds de gebeurtenis in juli in Griekenland.

Aan de hand van een symbolische, antropologische analyse van de politieke macht en conflicten in de Grieks-Orthodoxe Kerk zou kunnen worden opgemerkt dat de furore, brieven en uitdagingen die door de orthodoxe hiërarchen te berde zijn gebracht, duidt op de culturele veranderingen en het machtsvertoon van het kerkelijk gezag. Dit versterkt namelijk de carrières van charismatische individuen. Iedere geestelijke in deze situatie poogt zijn autoriteit in de kerkelijke hiërarchie te bevestigen door controle te claimen over de eigen jurisdictie. In deze context is de verontwaardiging van de Orthodoxe geestelijkheid gespeeld en beschermt men met een goed ingestudeerd cultureel en historische patroon de hiërarchie, het patriarchaat en de sociale controle. Elpidophoros kent de andere geestelijken die op de situatie hebben gereageerd, de culturele symboliek en de impliciete gebruiken van de Grieks-Orthodoxe Kerk. Gezien Elpidophoros’ positie, vaardigheden en politieke antenne zouden zijn collega’s moeten weten dat hij niet zou reageren op hun kritiek.

Voor de opkomst van het organiseren van evenementen in het oude vaderland, Griekenland, in de jaren ‘90, die vele miljoenen kosten, reisden Griekse Amerikanen naar hun voormalige dorpen en kerken in Griekenland om met familie en vrienden dergelijke feesten als de doop en het huwelijk te vieren. De terugkeer naar het vaderland als een culturele praktijk gaat veelvuldig gepaard met het versturen van het uitnodigen naar een geliefde geestelijke van de Amerikaanse parochie om als organisator of co-organisator tijdens de ceremonie in Griekenland op te treden. Familieleden betalen dan de kosten voor de reis en accommodatie voor de geestelijke en bieden ook een honorarium aan. Priesters en bisschoppen van de Grieks-Orthodoxe Kerk van Amerika verwachten ook een honorarium indien zij een bruiloft, doop of begrafenis voltrekken. De hoogte van het honorarium hangt af van het oordeel van de familieleden die de ceremonie bekostigen. In de afgelopen decennia zochten Griekse Amerikanen die het konden bekostigen naar bestemmingen in Griekenland die gewild zijn bij een internationale economische en sociale elite. Dit zijn vaak niet de oorspronkelijke dorpen en kerken die verbonden zijn met de geschiedenis, herinneringen en religieuze identiteit van de familie. Elpidophros, de ouders, de peetouders en familie zochten naar een manier om de lange traditie en moderne praktijk van Griekse Amerikanen te combineren. Enerzijds willen ze namelijk de familiedorpen bezoeken. Anderzijds moet de doop of het huwelijk in het buitenland plaatsvinden. Geestelijken stellen dat het religieuze onderwijs, dat aanbevolen wordt voor het voltrekken van huwelijken en dopen in het vaderland, veelvuldig te kort schiet en dat geestelijken snel te veel hooi op hun vork nemen bij dergelijke evenementen. Een priester van een grote Grieks-Orthodoxe parochie, die de afgelopen jaren is uitgenodigd om verschillende dopen en huwelijken in Griekenland te voltrekken, stelde dat hij ‘zelden’ deze rijke en beroemde Grieks-Orthodoxe christenen in de parochie ziet. Enkele geestelijken vinden daarom dat huwelijken en dopen, die als een evenement in het buitenland, juist schadelijk zijn voor de spirituele vorming van echtparen en gezinnen.

Het nieuws over Elpidophoros’ rol in deze kwestie zorgde bij de Grieks-Orthodoxe geestelijken en leken in de Verenigde Staten voor onverschilligheid, ontzetting en frustratie. Enerzijds stellen ze dat Elpidophoros gelijk had om de kinderen te dopen. Anderzijds hekelden ze de bewering van de familie dat deze gebeurtenis de eerste doop van een homopaar in de Orthodoxe Kerk was. Orthodoxe geestelijken van parochies in de Verenigde Staten dienen, hebben al tientallen jaren homoparen ‘gezegend’ en kinderen van homoseksuele ouders gedoopt. Een priester legde uit dat homoseksuele ouders vaak de voorkeur geven aan een privébijeenkomst om ‘ophef’ te voorkomen, hoewel de priester niet expliciet heeft gevraagd om de doop ‘onder de radar te houden’. Volgens geestelijke willen homo-orthodoxe koppels en gezinnen hun geloof belijden en hun kinderen hun spirituele identiteit laten ontwikkelen in de parochiegemeenschap. Het is voor deze homogezinnen, zoals een geestelijkheid het uitdrukte, ‘is het niet gemakkelijk’, aangezien homohuwelijken en gezinnen niet de norm zijn in Grieks-Orthodoxe parochies en de Orthodoxe Kerk homoseks en homohuwelijk afwijst. Bovendien houdt de bewering dat Elpidophoros een ‘progressief’ geestelijke is die de Orthodoxe Kerk wegleidt van homofobie en discriminatie jegens lhbtiq+-individuen en -families geen stand in het licht van het empirisch bewijs. Elpidophoros leidt diverse netwerken van de Greek Orthodox Archdiocese of America (GOARCH)-instellingen en parochies, zoals een hogeschool, seminarie, kampen en kloosters. Aldaar wordt homofobie en discriminatie jegens homo’s gekoesterd. Bisschoppen en geestelijken hebben hun macht gebruikt om homoseksuelen het zwijgen op te leggen, te veroordelen en te verwijderen uit de parochies. Elpidophoros leidt een kerkelijk instituut, waarin openlijk homoseksuelen niet kunnen werken, onderwijzen, besturen, dienen in parochiale context of hun geloof kunnen belijden in de parochiegemeenschap. Enkele geestelijken en leken zijn teleurgesteld dat Elpidophoros zich niet publiekelijk heeft uitgesproken tegen geestelijken en leken die zich homofoob opstellen en homoseksuelen uitsluiten en straffen. Een parochiepriester stelde:

“Indien we inclusief willen zijn, moeten we daarvoor gaan zitten en daarover praten. [We] moeten niet enkele een schandaal ervan maken. Hij [Elpidophoros] besluit te werken voor Orthodoxe christenen, die geld hebben, creëert vervolgens een schandaal en benoemt het probleem van inclusie niet. Hoe zit het met de homoseksuelen die naar de kerk willen gaan en deel willen uitmaken van een parochie, maar veelvuldig als verschoppelingen worden beschouwd? Er zijn veel homoseksuelen die deel willen uitmaken van een parochiegemeenschap, maar afgewezen worden in die parochies.”

In 2019 heeft Elpidophoros de leiding over de GOARCH gekregen. Sinds zijn aantreden, heeft hij te maken gehad met verschillende problemen. Elpidophoros heeft beschuldigingen van verduistering van fondsen, die onder het bestuur van zijn voorganger hebben plaatsgevonden, ontvangen. Tegelijkertijd heerst er financiële instabiliteit bij de GOARCH. Het project van de schrijn van de Sint-Nicholaas blijft onvoltooid en wordt geteisterd door schandalen. De GOARCH wordt geconfronteerd met een golf van fundamentalisme geworteld in de leer van de ouderling Ephraïm uit Arizona. Dit heeft menige parochiegemeenschap op zijn kop gezet. Het laatste probleem is het afnemende ledenaantal van de Grieks-Orthodoxe Kerk in de Verenigde Staten, waarop Elpidophoros niet is ingegaan. Toen Elpidophoros in 2019 werd aangesteld, ontmoetten lekenkerkleiders hem om religieus fundamentalisme te bespreken. Dit betrof onder meer het spiritueel misbruik van Elpidophoros’ geestelijken jegens Orthodoxe christenen die homo zijn of zich niet conformeren aan het fundamentalisme dat door Grieks-Orthodoxe geestelijken wordt gehandhaafd in het uitgebreide netwerk van GOARCH-parochies. Lekenleiders die Elpidophoros in 2019 ontmoetten, waren op zoek naar antwoorden die in lijn zijn met het diverse sociale en multireligieuze landschap in de 21ste eeuw. Elpidophoros heeft hervormingsgezinde en ontevreden Orthodoxe christenen genegeerd die hebben geleden onder het beleid van beledigende GOARCH-geestelijken. Tot op heden heeft Elpidophoros geen openbare pastorale zorg en steun geboden aan Orthodoxe homoseksuele christenen en hun families die hun verhalen over pijn, misbruik en verlies hebben gedeeld. De belangrijkste zorg van Elpidophoros is het werven van fondsen ter ondersteuning van de GOARCH-instellingen en GOARCH-projecten. Het is zijn rol om ambitieuze elite-stakeholders aan te trekken op gala’s, banketten en evenementen om geld in te zamelen die de GOARCH-instellingen ondersteunen. In ruil voor hun financiële steun proberen belanghebbenden leken, geestelijken en bisschoppen symbolisch kapitaal,, sociale status, aanzien, macht en sociale controle te verwerven.[3]

Frances Kostarelos is emeritus-hoogleraar aan de Governors State University. Aldaar was ze verbonden aan de studierichting ‘Sociologie en Antropologie en Politieke en Rechtvaardigheidsstudies’. Ze heeft een doctoraat van de Universiteit van Chicago in culturele antropologie. In haar onderwijs bespreekt ze onderwerpen als ras, etniciteit, sociale klasse, de antropologie en sociologie van religie, culturele ecologie en menselijke geografie. Ze heeft etnografisch onderzoek gedaan onder Amerikaanse evangelisten en Orthodoxe christenen in de Verenigde Staten. De focus van haar huidige onderzoek ligt op de invloed van sociale factoren op de Grieks-Orthodoxe Kerk in de Verenigde Staten, de Orthodoxe theologie en ecologie, en de rol van orthodoxe overtuigingen en praktijken bij het ondersteunen van Griekse plattelandsgemeenschappen. Ze heeft deelgenomen aan verschillende Lilly Endowment-projecten die worden georganiseerd door het Institute for the Study of American Evangelicals van Wheaton College en christelijke liberale kunstacademies in de Verenigde Staten.


[1] Voor nieuwsrapportages over deze gebeurtenis, zie Derek Gatopoulos, ‘Greek Church Protests Baptism for Celebrity Same-Sex Parents’, Religion News Service <https://religionnews.com/2022/07/19/greek-church-protests-baptism-for-celebrity-same-sex-parents/> [geraadpleegd 25 oktober 2022]; Alexi Friedman, ‘Church of Greece Protests Baptism of Children of Gay Couple’, GreekReporter.com <https://greekreporter.com/2022/07/19/church-greece-protests-baptism-children-gay-couple/> [geraadpleegd 25 oktober 2022]; Alex Economou, ‘Archbishop Elpidophoros Conducts First Openly Gay Baptism in Athens’, NEOS KOSMOS <https://neoskosmos.com/en/2022/07/12/news/archbishop-of-america-elpidophoros-baptizes-children-of-celebrity-gay-couple-in-athens/> [geraadpleegd 25 oktober 2022]; John Chryssauvgis, ‘A Tempest over a Baptism in Greece Raises Questions about What We’re Trying to Protect’, Religion News Service <https://religionnews.com/2022/07/25/a-tempest-over-a-baptism-in-greece-raises-questions-about-what-were-trying-to-protect/> [geraadpleegd 25 oktober 2022].

[2] Redactie Orthodox Christianity, ‘Archbishop Elpidophoros Scandals Dominate Constantinople Synod Meeting’, OrthoChristian.com <https://orthochristian.com/147458.html> [geraadpleegd 25 oktober 2022].

[3] Voor een discussie over rituelen en symbolisch kapitaal, zie Pierre Bourdieu, Outline of a Theory of Practice (Cambridge: Cambridge University Press, 2005). Voor een inhoudelijke discussie over gender, seksualiteit en de ontwikkeling van inclusie in de Orthodoxe Kerk, zie Bryce Rich, ‘An Update for the Church’, in: The Wheel (2020), pp. 38-44; Justin R. Cannon, Homosexuality in the Orthodox Church (Verenigde Staten: Justin R. Cannon, 2011); Misha Cherniak, Olga Gerassimenko en Michael Brinkschröder, “For I Am Wonderfully Made” Texts on Eastern Orthodoxy and LGBT Inclusion (Amsterdam: European Forum of Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender Christian Groups, 2017).

Een Koptische blik op de moderniteit

Door Josephien van Kessel.

Op 17 oktober jongstleden gaf Johannes Makar, gastonderzoeker aan het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC), een lezing getiteld ‘‘Are we not one body in Him?’: Copts between Ecumenicism and Orthodox Ecclesiology in Colonial Egypt (ca. 1882-1900)’. In deze lezing legde Makar uit hoe Koptische intellectuelen omgingen met kwesties als oecumene en interkerkelijke rivaliteit, onder meer met betrekking tot de Anglicaanse-, Grieks-Orthodoxe- en Rooms-Katholieke Kerk.

Makar is onder begeleiding van zijn promotor Malika Zeghal promovendus aan de Universiteit van Harvard. In 2023-2024 zal hij daar zijn proefschrift ‘Coptic Reform and the Quest for Nationhood in Late Ottoman Egypt (1856-1910)’ verdedigen. Met zijn doctoraat werpt Makar een nieuwe blik op de opkomst van het moderne Egypte. Volgens Makar is er weinig bekend over Koptische bijdragen aan intellectuele en politieke ontwikkelingen in Egypte. Veeleer zijn Kopten bekend als slachtoffers van sektarisch geweld. Met zijn onderzoek hoopt hij hierin verandering in te brengen. Volgens Makar is het belangrijk dat we de moderne Egyptische geschiedenis met een Koptische bril benaderen. “Als de grootste christelijke gemeenschap in Egypte – en vandaag in het gehele Midden-Oosten – biedt de Koptische geschiedenis een uniek en onmisbaar perspectief op de opkomst van de moderne Egyptische maatschappij.”

Makar focust in zijn proefschrift op verscheidene intellectuele ontwikkelingen die hij bij aanvang van zijn lezing beschreef. Zo bestudeert hij bijvoorbeeld de ontwikkeling van de Koptische geschiedschrijving in de late 19de eeuw. In toenemende mate begonnen Egyptenaren in deze periode hun geschiedenis te verhalen. Makar analyseert de wijze waarop Kopten hiermee omgingen en de geschiedenis mobiliseerden in toenmalige politieke hervormingsdebatten. In een ander hoofdstuk gaat Makar in op de rol die Kopten speelden in de modernisering van de Arabische en Koptische taal – een kwestie met belangrijke gevolgen voor de religieuze en nationale identiteit van Egyptenaren.

In zijn lezing baseerde hij zich op het vierde hoofdstuk van zijn dissertatie. Hierin bestudeerde Makar de intellectuele uitwisselingen die plaatsvonden tussen Kopten en Anglicanen. In het jaar 1882 vond in Egypte de zogenaamde Urabi-opstand plaatst, een nationalistische revolte die ongewenst uitmondde in de Britse kolonisatie van Egypte. Vanaf 1882 tot 1956 vestigde Engeland hiermee zijn invloed op Egypte. De Anglicaanse Kerk zag de Britse overheersing als een speling van de voorzienigheid om weer contact te leggen met de lokale christenen. In 1883 richtte ze de Vereniging voor de Bevordering van het Christendom in Egypte (AFCE) op. De Anglicaanse Kerk wenste hiermee de uitwisseling van kennis te promoten. Daarvoor zag de Anglicaanse Kerk in eerste instantie in de Grieks-Orthodoxe Kerk te Alexandrië een gesprekspartner. De Koptische kerk werd daarentegen nog in 1892 als ‘de verloren zoon’ betiteld.

Zijn onderzoek in de archieven maakt duidelijk hoe weinig de Anglicanen wisten van de kerken die zij bezochten. Voor Westerse academici bleef ‘Christelijk Egypte’ een waar ‘terra incognita’. Een vroege bron in het Engels was The Ancient Coptic Churches of Egypt (1884) door Alfred Butler, die in 1883 voor het AFCE afreisde naar Egypte. Hoewel vertalingen van Koptische werken eerder plaatsvonden en de Koptische taal al een lange tijd bestudeerd werd in Europa, publiceerde Westerse geleerden past later diepgaande studies over de geschiedenis en theologie van de Koptische Kerk. Sommige van deze werken, zoals Edith Butchers Story of the Church of Egypt, oefende een belangrijke invloed uit op de Koptische geschiedschrijving. Makar toont in zijn onderzoek aan hoe belangrijk het is om veranderingen in de historiografie te onderzoeken. Hoewel de geschiedenisbeschrijving zich in principe strikt tot het verleden beperkt, weerspiegelt ze vaak contemporaine maatschappelijke belangen. De kerkelijke competitie en de vroege oecumenische relaties laten zich hierin zien als momenten van kerkelijke zelfdefinitie.

Zijn lezing gaf aanleiding tot vele geïnteresseerde en verdiepende vragen vanuit het publiek, onder meer over het vermeende insulaire karakter van de Koptische Kerk; de betekenis van de het woord ‘Kopt’ dat in de middeleeuwen gebruikt werd om de oorspronkelijke bewoners van Egypte aan te duiden; dat de Rooms-Katholieke Kerk door andere christelijke kerken als een grote opponent gezien werd; dat de Koptische Kerk als representant van de monofysitische ketterij werd gezien door de Anglicaanse Kerk; dat de Koptische Kerk een apostolische kerk is die zijn ecclesiologie gegrond ziet in de Evangelist Sint-Marcus.

Online-database Pro Oriente voor de orthodox-katholieke dialoog

Door Nick Pouls.

Pro Oriente, opgericht als kerkelijke stichting op 4 november 1964 tijdens het Tweede Vaticaans Concilie door toenmalig kardinaal Franz König (1905-2004), is gevestigd in Wenen (met regionale afdelingen in Salzburg, Graz en Linz). De focus van Pro Oriente ligt op het versterken van de oecumenische banden tussen de kerk van het Oosten en Westen middels dialogen. Köning bezocht verschillende kerkelijke leiders van de Oosters-Orthodoxe Kerken en nodigde hen ook uit in Wenen. Daarnaast zijn er verschillende commissies werkzaam binnen Pro Oriente, onder andere de ‘Commissie voor de Orthodox-Katholieke Dialoog’. Deze commissie is opgericht in 2018. Elk jaar komen er 16 theologen van de Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken bijeen om initiatieven op te zetten. Een van deze initiatieven is een online-database.

© Wiki Commons, Andreas Gutenbrunner (fotograaf): Portret van kardinaal Franz König

Deze database, waarin alle relevante dialoogdocumenten, uitleg en andere teksten van de dialogen tussen de kerken van het Oosten en Westen van de afgelopen 50-60 jaar terug te vinden zijn, is onlangs gelanceerd. De documenten zijn te raadplegen via: www.orthocath.net. Daarnaast heeft de commissie voor een Engelse, Franse, Duitse, Griekse, Roemeens, Italiaans, Servische en Russische vertaling gezorgd van de online beschikbare teksten. Er is gekozen voor een hiërarchische structuur wat betreft de indeling van de database, die bestaat uit een onderverdeling naar vijf categorieën: 1) internationaal; 2) bilateraal; 3) regionaal; 4) onofficieel; en 5) aanverwante documenten. 

Inhoudelijk gaat het onder andere om alle officiële documenten van de ‘Joint International Commission for Theological Dialogue Between the Catholic Church and the Orthodox Church’, een commissie die is opgericht door de Heilige Stoel en 14 autocefale Oosters-Orthodoxe Kerken. Daarnaast zijn ook alle documenten te vinden over de ontmoetingen tussen de pausen en de leiders van de Orthodoxe Kerken. De resultaten van de theologische dialogen tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken zijn ook terug te vinden in de database. Hierdoor kan een bezoeker een volledig overzicht krijgen.

Met deze online-database hoopt de ‘Commissie voor de Orthodox-Katholieke Dialoog’ van Pro Oriente een belangrijke rol te kunnen vervullen voor theologische opleidingen en het kerkelijk leven. Daarnaast is de database een hulpmiddel voor de verschillende commissies van Pro Oriente. De database kan namelijk helpen om de oecumenische werkzaamheden te vereenvoudigen.

Voor meer informatie over het project, zie hier. Daarnaast kunt u ook de webpagina bezoeken van Pro Oriente, zie hier.

Servisch-Orthodoxe theoloog als directeur van de ‘Faith and Order Commission’ bij de Wereldraad van Kerken

Door Nick Pouls.

Afgelopen week werd Andrej Jeftić benoemd als directeur van de ‘Faith and Order Commission’ van de Wereldraad van Kerken. Dit is een bijzondere stap van de commissie. In tegenstelling tot Jeftićs voorgangers is hij de eerste directeur met een Servisch-Orthodoxe achtergrond. Jeftić is al sinds zijn studententijd betrokken bij de oecumene en stelt dat theologie universeel moet zijn: “Om trouw te zijn aan de roeping en openbaring van Christus, die alleen begrepen kan worden door communie, geloof ik dat theologie oecumenisch moet zijn. […] Indien we beïnvloed raken door denkbeeldige grenzen, zowel wetenschappelijk als kerkelijke, dan heeft theologie geen uitkomst geboden aan de wereld, wiens redding door Christus is gebracht.”

De ‘Faith and Order Commission’

Hoe kan eenheid een inspirerende bron zijn voor vernieuwingen in de kerk en de wereld? Wat leert de toenemende samenwerking tussen instanties op het gebied van gerechtigheid, vrede en de schepping ons over de kerk? Welke relaties zijn er tussen etniciteit, nationalisme en kerkelijke eenheid? Dit zijn vragen die centraal staan in de werkzaamheden van de ‘Faith and Order Commission’. Momenteel werkt de commissie aan 3 verschillende projecten, getiteld ‘De Pelgrimage van Gerechtigheid en Vrede’, ‘De Kerk’, ‘Moreel Onderscheidingsvermogen in de Kerken’. Actuele thema’s, zoals ecologie en ethiek, spelen daarin een belangrijke rol.

De voorloper van de commissie is opgericht in 1910 onder de naam ‘Faith and Order Movement’, die twee Wereldconferenties over Geloof en Kerkorde hebben georganiseerd: Lausanne (1927) en Edinburgh (1937). De ‘Faith and Order Movement’ is in 1948 opgegaan in de Wereldraad van Kerken als de ‘Faith and Order Commission’. Bij de benoeming van Jeftić stelde de moderator van de commissie, Susan Durber, dat: “Dankzij zijn diepgaande theologische reflectie, creatieve denkwijze en kalme persoonlijkheid maakt dr. Jeftić een indruk op iedereen die hem ontmoet. Het is spannend om een orthodoxe theoloog te verwelkomen als directeur van de ‘Faith and Order Commision’.”

Wie is Andrej Jeftić?

Andrej Jeftić (1984) is een Servisch-Orthodoxe theoloog. Zijn onderwijs heeft hij genoten aan de Universiteit van Belgrado in Servië, waar hij tussen 2003-2009 een Bachelor en Master in Theologie heeft gevolgd. Daarna werkte hij als promovendus (2009-2016) en onderwijsassistent (2010-2016) aan dezelfde faculteit. De titel van zijn dissertatie luidt: ‘Reception of the Holy Fathers in the Writings of Thomas F. Torrance: Patristic Theology and Contemporary Science’ (2016). Door zich te richten op Thomas F. Torrance laat Jeftić al vroeg zien geïnteresseerd te zijn in de oecumene. Na zijn promotie wordt hij benoemd als universitair docent aan de Faculteit voor Orthodoxe Theologie, een functie die hij tot 2022 heeft vervuld. Naast zijn positie als directeur van de commissie bij de Wereldraad van Kerken werkt Jeftić als geassocieerd onderzoeker aan het Instituut voor Filosofie en Sociale Theorie aan de Universiteit van Belgrado.

Hij heeft meegewerkt aan verschillende wetenschappelijke projecten, onder andere aan het project ‘Servische Theologie in de Twintigste Eeuw: Fundamentele Veronderstellingen van de Theologische Disciplines in de Europese Context – Historisch en Hedendaags Perspectief’. Dit project was gefinancierd door de Servische overheid en liep van 2010 tot 2022. In 2019 werkte Jeftić mee aan het project ‘Contemporaine Oosters-Orthodoxe Ideniteit en de Uitdagingen van Pluralisme en Seksuele Diversiteit in een Seculier Tijdperk’, dat gefinancierd werd door de British Council. Een lopend project waaraan Jeftić gelinieerd is, en gefinancierd wordt door de Council of Europa, heet ‘Samenwerking met Kerkelijke Instituten tegen Haatzaaien: een Interdisciplinaire Dialoog tussen Mensenrechten Experts en Christelijke Orthodoxe Theologen’.