In memoriam: Kallistos Ware (1934-2022)

Door Nick Pouls.

Op woensdag 24 augustus 2022 is metropoliet Kallistos Ware overleden op 87-jarige leeftijd in zijn woonplaats, Oxford. Hij gold als een invloedrijke theoloog en was decennialang het gezicht van de Oosters-orthodoxe Kerk in Groot-Brittannië. Al langere tijd ging het minder goed met zijn gezondheid.

Timothy Richard Ware is geboren op 11 september 1934 in een anglicaanse familie in de stad Bath, Somerset in Engeland. Tijdens zijn studies klassieke talen en theologie aan het Magdalen College, een van de vele colleges van de Universiteit van Oxford, raakte hij al snel geïnteresseerd in het Oosters-orthodoxe geloof. Op 24-jarige leeftijd bekeerde Timothy zich tot het Oosters-orthodoxe christendom. Deze periode is beschreven in een autobiografische tekst over metropoliet Kallistos’ geestelijke wordingsgeschiedenis, ‘My Journey tot he Orthodox Church’. Na zijn bekering heeft hij in verschillende kloosters gewoond, zoals in een Canadees kloosters van de Russisch-orthodoxe Kerk in het Buitenland (ROCOR) en het klooster van Johannes van Patmos op het Griekse eiland Patmos in de Egeïsche Zee.

In 1966 wordt Ware tot priester gewijd door de patriarch Athenagoras I van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel. Hij krijgt de naam Kallistos. Aan de Universiteit van Oxford wordt hij docent in Oosters-orthodoxe studies, een functie die hij bijna 35 jaar zal uitvoeren. Vanaf 1982 is Kallistos bisschop van Diokleia van het Grieks-orthodoxe aartsbisdom Thyateira en Groot-Brittannië. Hoewel Kallistos in 2001 met pensioen is gegaan, wordt hij metropoliet van het aartsbisdom in 2007. De Heilige Synode van het Oecumenisch Patriarchaat kent het aartsbisdom de titulatuur van metropoliet toe. Metropoliet Kallistos genoot bekendheid door zijn vele artikelen, boeken, lezingen en interkerkelijke dialogen. Onder andere The Orthodox Church (1963) is een toonaangevend boek voor leken aangaande de Oosters-orthodoxe Kerk.

Ook in Nederland heeft metropoliet Kallistos een belangrijke rol gespeeld. Hij steunde onder andere de oprichting van het Amsterdams Centrum voor Orthodoxe Theologie (ACOT), de voorganger van het huidige St. Irenaeus Instituut. De ontwikkelingen in Nederland heeft metropoliet Kallistos op de voet gevolgd en sprak ook tijdens het colloquium ‘Modern Orthodox Thinkers’ (2015) (een opname daarvan vindt u hier). Het vertaalwerk van metropoliet Ware, van onder andere de Philokalia, vormde de inspiratie voor de huidige staf van het St. Irenaeus Instituut om de Psalmen vanuit het Grieks naar het Nederlands te vertalen.

Het ‘Oosters werk’ van de Rooms-katholieke Kerk. De oorsprong van het Nijmeegs Byzantijns Koor

Door Paul Baars.

Eind 1973 ging ik in Nijmegen geschiedenis studeren. Nijmegen was toen nog ‘het Havanna aan de Waal’. Op de universiteit was een revolutionaire stemming. Maar ik trof naast het Havanna aan de Waal ook een ‘Rusland aan de Waal’ aan: de Russische studiekring, de Byzantijnse kapel en het Nijmeegs Byzantijns Koor (hierna: NBK). Hoe kan dat: Nederlanders, die in de Byzantijnse ritus liturgie vieren en met enthousiasme Russisch religieus repertoire zingen? Dat is een heel verhaal. Het is goed dat verhaal te vertellen bij het 50-jarig jubileum dat het NBK in 2022 viert.

In 1917 hadden drie herderinnetjes in Fatima verschijningen van de Moeder Gods Maria. Die zou hen gezegd hebben dat Rusland zich zou bekeren, wanneer de paus Rusland zou toevertrouwen aan het Heilig Hart van Jezus. Dat geeft de mentaliteit van die tijd goed weer. Rusland zou zich door de Moeder Gods vanzelf tot de ware kerk van Rome bekeren. Katholieken in de hele wereld baden ervoor. De bekeerlingen zouden daarbij wel hun eigen liturgie en eigen gebruiken mogen behouden. Die vorm bestond al eeuwen in het grensgebied tussen Rusland, Polen en Oostenrijk-Hongarije. Het wordt de Grieks-katholieke Kerk genoemd, vandaag nog ruim 10% van de bevolking van Oekraïne.

Om die bekering te bevorderen werd in Rome een opleidingsinstituut gesticht voor priesters, het zogenaamde ‘Russicum’. De priesterstudenten verdiepten zich daar in de Kerkslavische en de Russische taal, de Byzantijnse liturgische gebruiken en de situatie van christenen in Rusland onder het communisme. Opvallend is dat Griekenland, Servië, Bulgarije en Roemenië veel minder aandacht kregen. Een deel van de priesters werd naar de Grieks-katholieke parochies gestuurd, een deel zou Rusland binnengaan als missionaris, zodra het communisme was ingestort. Maar er waren ook toen al andere stemmen. Lambert Bauduin stichtte in 1927 het Benedictijnse klooster van de Verheffing van het Heilig Kruis te Chevetogne. Hij wilde geen mensen bekeren, maar juist bruggen slaan niet alleen naar de orthodoxe kerk, maar ook naar de Anglicanen. Het klooster ging de liturgie vieren in de Latijnse ritus én in de Byzantijnse ritus, en werd ook een studiecentrum met een grote bibliotheek en een eigen tijdschrift Irenicon. Dat zag men in Rome aanvankelijk nog niet zitten en Bauduin werd zelfs een tijd lang uit het klooster verbannen. Het klooster overleefde en is tot op heden een inspirerend pelgrimsoord voor veel christenen van allerlei soorten en maten.

In1926 werd in Nederland het Apostolaat van de Hereniging opgericht, dat aandacht moest opwekken van het herenigingswerk. Het was mede een gevolg van een bezoek van metropoliet Sheptítskij uit Oekraïne aan ons land. Pater Titus Brandsma speelde daarin later een belangrijke rol. Men veranderde de naam in 1992 in Aktie en Ontmoeting Oosterse kerken (AOK). Men wilde dus geen hereniging meer, maar ontmoeting. In 2004 ging het AOK op in de Katholieke Vereniging voor Oecumene Athanasius en Willibrord (KvVO), die alle oecumenische contacten van de Rooms-katholieke Kerk behartigt.

Een aantal kapucijnen uit Nederland ging al voor de oorlog in Rome studeren aan het Russicum. Hoewel het er aanvankelijk op leek dat het communisme zou instorten, is dat niet gebeurd. De kerken werden vervolgd en katholieke missionarissen waren al helemaal niet welkom. Maar er diende zich een ander werkterrein aan. Na de Russische Revolutie van 1917 kwam er een stroom van vluchtelingen uit Rusland naar het Westen. Een klein deel van deze mensen kwam ook in Nederland terecht. Na de Tweede Wereldoorlog zagen we een tweede golf vluchtelingen. Het waren voor het grootste deel Russische en Oekraïense mensen, vooral vrouwen, die dwangarbeid hadden moeten doen voor de nazi’s in Duitsland. Er waren soldaten van het Rode Leger bij die krijgsgevangen waren gemaakt en collaborateurs. Terugkeren naar de Sovjet-Unie van Stalin had voor hen de dood betekend. Ruim 4000 van deze mensen kwamen in Nederland terecht, vooral in Limburg, Den Haag en Amsterdam, maar nauwelijks in Nijmegen. Ze trouwden vaak met een Nederlandse partner en integreerden volledig in onze cultuur. Maar een deel van hen hield toch behoefte aan de eigen kerkelijke traditie.

Nederland kende vlak na de oorlog maar één orthodoxe parochie, namelijk die van de heilige Maria Magdalena in Den Haag, opgericht door Anna Pavlovna de Russische echtgenote van koning Willem de Eerste. Maar die parochie had te leiden onder de politieke problemen van de Russische immigranten. Die kerk viel onder het patriarchaat Moskou en was gedwongen controles van de KGB te accepteren. Als gevolg van internationale afspraken na de oorlog moesten alle mensen in Nederland met een Sovjet paspoort terug naar de Sovjet-Unie. In ruil daarvoor konden Nederlanders die door de oorlog in de Sovjet-Unie terecht waren gekomen terug naar Nederland. De ambassade in Den Haag deed actief pogingen deze mensen op te sporen en op transport te zetten en stuurde vrachtwagens naar onder andere Assen en Eindhoven. De geestelijken van de parochie waren zeker geen communisten. Maar sommige mensen waren toch bang om er te komen.

De kapucijnen sprongen in de leemte die daardoor ontstond. Als troost voor de vluchtelingen begonnen ze met hun ‘Oosters werk’. Ze stichtten een tiental ‘Byzantijnse’ kapellen’ verspreid over het land en een klein klooster aan de Raamweg te Voorburg. Het woord ‘Byzantijns’ verdient enige uitleg. De orthodoxe liturgie is afkomstig uit het Byzantijnse Rijk, uit Byzantium. Ze is later verspreid over de Balkan, Oekraïne, Rusland en het Midden-Oosten. Maar ook binnen de Rooms-katholieke Kerk zijn al eeuwen gemeenschappen, die deze liturgie, deze ‘ritus’ volgen. In het grensgebied tussen de orthodoxe en rooms-katholieke wereld zijn ook groepen naar de katholieke kerk overgegaan met behoud van hun eigen ritus. Zij worden ‘Geünieerden’ of ook wel ‘Grieks-katholieken’ genoemd. Geleidelijk sloten zich meer Nederlanders aan bij de Byzantijnse gemeenschappen. Je kunt hen beter ‘rooms-katholieken van de Byzantijnse ritus noemen’. Meestal volgde men de Russische gewoonten en werden de vieringen goeddeels in het Kerkslavisch gedaan. Men gedenkt dan niet een orthodoxe patriarch en de plaatselijke bisschop, maar de paus, de plaatselijke katholieke bisschop en volgt de gregoriaanse kalender.

De kapucijnen organiseerden vieringen, maar probeerde de vluchtelingen ook sociaal op te vangen. Ze begonnen met de uitgave van het tijdschrift Pokrof. Oosterse christenen, kerken en culturen. Later gingen ook geestelijken van andere ordes en congregaties en priesters van de bisdommen zich in de Byzantijnse ritus verdiepen: onder andere de Nijmeegse pater Teun Jakobs (assumptionist), Piet Al (norbertijn), Jan Kaandorp (MSC), Johan Meijer (redemptorist) en later Rudolf van Dijk (karmeliet), die bijna allen ook zijn voorgegaan bij het NBK. Vader Johan is in de Verenigde Staten door de beroemde orthodoxe theoloog Alexander Schmemann opgeleid. Hij heeft de hele Byzantijnse liturgie in het Nederlands vertaald. De laatste jaren is men een andere weg ingeslagen, omdat de bovengenoemde priesters op leeftijd zijn of al gestorven zijn. Ton Sip en Paul Brenninkmeijer zijn zogenaamde ‘bi-liturgen’. Ze zijn of waren priester in een gewone westerse rooms-katholieke parochie en gaan daarnaast in hun schaarse vrije tijd voor in vieringen van de Byzantijnse ritus.

De Oekraïense dirigent en musicoloog Míroslav Antonóvitsj stichtte in 1951 het Utrechts Byzantijnse Koor, dat enorme bekendheid verwierf. Later ontstonden veel meer ‘Byzantijnse’ of ‘Slavische’ koren (onder andere in Hoorn, Tilburg, Arnhem, Hengelo, Zwolle en Zeeland). Sommige van deze koren zongen ook in de liturgie. Andere gaven concerten, waarin ze naast religieus repertoire bewerkingen van Russische en Oekraïense volksmuziek voor koor vertolkten. Nederlanders ervaren dat als typisch Russische muziek, terwijl het juist die Russische muziek is, die het meest door het Westen beïnvloed is. Dat die koren zo populair zijn heeft ook te maken met een romantische herinnering aan het rooms-katholieke verleden, toen je op zondag nog missen van Mozart in de kerk kon meebeleven, niet – veel directer – in de volkstaal, maar in het Latijn.

De verhouding van het ‘Oosterse werk’ tot de orthodoxe kerken is lange tijd moeilijk geweest. De orthodoxen waren de vroegere bekeringsijver (het zogenaamde proselitisme) nog niet vergeten. Ze vonden de Byzantijnse ritus verwarrend: een soort katholicisme verhuld in een Oosters jasje. Soms was en is dat heel fel en draafde of draagt men door in de kritiek. Aan de andere kant moet gezegd worden dat de verhouding tussen de Rooms-katholieke Kerk en de Russisch-orthodoxe Kerk na de oorlog een tijd lang vrij goed was. In 1967 sloten ze overeenkomst, waardoor Russisch-orthodoxe gelovigen de sacramenten mochten ontvangen in de katholieke kerk, wanneer er geen orthodoxe kerk in de buurt was. In de Sovjet-Unie mocht hetzelfde andersom. Orthodoxe gelovigen bij ons werden gedoopt en konden trouwen in een katholieke kerk. Patrick van der Aalst, eerste professor oecumene aan de Nijmeegse theologische faculteit kon studeren aan de geestelijke academie van St. Petersburg, waarvan metropoliet Nikodim toen rector was. Hij vertelde daarover: “We hadden ook lessen Marxisme. Maar dat was niet zo erg. Iedereen zat te slapen!” De laatste jaren is de heftigheid er gelukkig van af. Vader Sergi Merks, de Russisch-orthodoxe priester van Nijmegen, is een keer voorgegaan in een vesper met het NBK.

Het “Christelijk Oosten” kreeg volop aandacht in Nijmegen. De Assumptionisten richtte rond 1960 het Instituut voor Byzantijnse en Oecumenische studies op, dat in 1985 overging in het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC) dat verbonden is aan de universiteit. Rond 1955 werd ook de Byzantijnse kapel geopend, aanvankelijk op een zolder boven een school in de Stieltjesstraat. Pater Zacharias Anthonissen had vlak voor de oorlog een Grieks-katholieke parochie opgericht in Narva (vlak bij de Russisch grens, vlak bij Pskov). Zodra het kon, zou hij als missionaris de Sovjet-Unie binnen gaan. Maar het liep anders. Toen de Sovjet-Unie in 1939 Estland annexeerde moest hij vluchten. In 1949 werd hij hoogleraar Oosterse Theologie aan de Nijmeegse Universiteit en priester in de Byzantijnse kapel. Later werd hij bovendien docent Russische taal. Een markante persoonlijkheid. Hij waarschuwde overal en in de Gelderlander tegen de Sovjet-Unie en het Marxisme, dat toen onder studenten in de mode was. Een typische uitspraak van hem was: “Zolang jullie uitspraak van het Russisch nog zo slecht is, geef ik jullie geen inspraak!” Hij trok fel van leer tegen het Tweede Vaticaan Concilie, wat niet bij iedereen in goede aarde viel.

Hij had humor en vertelde smaakvol over zijn tijd in Narva in Estland. Hij was naar de gelovigen persoonlijk heel tolerant. Maar ideologisch was hij heel conservatief. Ik heb nog een aantal exemplaren van ‘Spravka’, de nieuwsbrief van de kapel uit die periode. Daarin vind je een geloofsopvatting van gewapend beton en een heel formele visie op de Byzantijnse liturgie. Je voelt wel een oprechte betrokkenheid op het lot van de christenen in de communistische Sovjet-Unie. In het Erfgoedcentrum in het klooster van de kruisheren te St. Agatha bevindt zich een uitgebreid archief van de kapucijnen, hun activiteiten tijdens het interbellum in de Baltische Staten en van pater Zacharias persoonlijk.

Hier komen we bij het ontstaan van het Nijmeegs Byzantijns Koor. Dat is uit een ruzie ontstaan. Uit gesprekken met enkele oudgedienden komen drie geschilpunten naar voren. Een aantal mensen wilden niet alleen zingen in de vieringen van de kapel, maar daarnaast ook ‘uitzingen’ in gewone katholieke of protestantse parochies. Een aantal leden wilden meer Nederlands in de liturgie, in ieder geval de lezingen en de inleidende gebeden (de Uren) en eventueel ook de Geloofsbelijdenis en het Onze Vader. Dat was in de kapel toen uit den boze! Een aantal mensen had tot slot moeite met het conservatisme van pater Zacharias. De persoonlijke verhoudingen kwamen onder druk te staan. Dit leidde in 1971 tot een breuk: een groot Nijmeegs Byzantijns ‘schisma’. Een groep verliet de kapel en dat kwam bij de achterblijvers hard aan.

Er bleven nog wel contacten bestaan. In Nijmegen waren diverse mensen begonnen iconen te schilderen. De inspirator was Henk Schoonwater. Hij schilderde en zijn vrouw Katrien borduurde iconen. Hij had de wereld van de iconen ontdekt via foto’s en artikelen in het tijdschrift De Katholieke Illustratie. Omdat het toen moeilijk was een ervaren leraar te vinden, heeft hij het zichzelf geleerd. Zijn werk kreeg geleidelijk steeds meer kwaliteit. Het werk van zijn vrouw wordt heel hoog aangeslagen. Hij heeft veel exposities georganiseerd, cursussen gegeven en was altaar-dienaar in de kapel. Enkele van zijn leerlingen waren lid van het NBK, in ieder geval Paul Briaire, Berna en Leo Geysberts en Paul de Jong. Zij hebben de huidige afbreekbare/opbouwbare iconenstase van het NBK geschilderd. Ze hebben zich echt verdiept in de iconen en daarvoor bijvoorbeeld een reis georganiseerd naar Servië om daar de oude iconen en fresco’s te bekijken. Henk was ook bestuurslid van de Valkhofvereniging en via hem kon de Grieks-orthodoxe parochie van de heilige Theofano van Nijmegen ook gebruik maken van de Nikolaas kapel op het Valkhof.

In 1987 ging Nijmegen een stedenband aan met de Russische stad Pskov. Ivo Peeters, de eerste voorzitter van de stedenband was ook de dirigent van de Byzantijnse kapel. De groep was veel opener geworden, maar het aantal bezoekers en koorleden nam steeds verder af. In 2014 besloot het bestuur van de kapel met pijn in het hart op te houden met eigen vieringen. Het bestuur beheert nog wel de kapel als gebouw. De Russisch- en de Servisch-orthodoxe parochies namen het stokje over. Maar er was al wel iets moois op gang gekomen. Een aantal mensen was in die tijd lid van het koor van de Byzantijnse kapel én van het NBK. Vader Rudolf van Dijk ging voor bij het NBK én de kapel. Leden uit beide koren waren betrokken bij de stedenband en bij een ‘Kerkenpad’ naar Pskov, in 1990 en 1993. We zagen daar de prachtige oude iconen en fresco’s en mochten meezingen met kerkkoren van de stad. Het was een feest! Henk Schoonwater en ondergetekende waren delegatieleider.

In 1990 en 1991 kwamen twee Russisch-orthodoxe priester naar Nijmegen, eerst vader Konstantín Malík en daarna vader Pavel Adelgeim. We zeiden toen tegen elkaar: “Het is toch te gek, dat we deze mensen niet samen kunnen ontvangen.” Nu was er één gebed dat een katholieke en orthodoxe priester toen samen mochten bidden: een “Moleben tot de Moeder Gods”. Dat hebben we dus gekozen. De twee koren zongen samen onder leiding van Carlo Lemmens. Vader Antoni (Vriens) en pater Piet Al gingen voor. Vader Konstantin zat met zijn vrouw op de voorste rij. Vader Pavel Adelgeim durfde meer. Hij ging in 1991 zelf voor. Vader Antoni en Piet Al stonden erbij. Hij hield twee korte preekjes. Hij zei onder andere: “Misschien mag dit van de kerkelijke regels niet. Maar jullie hebben ons liefde betoond. Daarom doe ik het toch.” En: “Misschien kunnen wij als kerken niet alles samendoen. Maar wat we wél samen kunnen doen, moeten we ook samendoen.” Zo hielpen twee Russisch-orthodoxe priesters de kapel en het NBK bij elkaar te brengen. Toen ik dit verhaal in Pskov vertelde, had een bevriende orthodoxe diaken het volgende commentaar: “Kun je zulke katholieken niet ook naar Pskov sturen! Want bij ons is ook veel ruzie!”

De katholieke houding naar de Oosterse kerken is dus veranderd. Het begon met bekeringsijver, veranderde na de oorlog in hulp aan vluchtelingen en hulp aan christenen in Oost-Europa. Het ontwikkelde zich tot oecumene, tot het slaan van bruggen naar elkaar. Het NBK heeft aan het laatste een mooie bijdrage geleverd. Bij de orthodoxe kerken is helaas de houding nog niet altijd veranderd. Men vergroot de verschilpunten soms uit en is slecht geïnformeerd. Men schelt soms op de Westerse kerken en ook op elkaar. Ik denk dat voor het NBK een nieuwe stap nodig is. Het koor zelf is intern meer oecumenisch geworden en heeft naast katholieke nu ook protestantse, orthodoxe en agnostische leden. Niet alleen ‘Oosterse kerken’, maar ook ‘Oosterse religies’ hebben ons beïnvloed. Dat vraagt om nieuwe interne oecumene.

Wanneer we bruggen kunnen slaan moeten we dat blijven doen. ‘Oosterse christenen’ blijven als vluchtelingen komen, recentelijk uit Syrië en nu uit Oekraïne. Maar het koor is geen middel om iets te bereiken. Het heeft geen zin te kopiëren wat je ergens anders gezien hebt. De koorleden zijn geen Russen, Oekraïners of Syriërs. Alleen de dirigent is Russisch en heeft haar opleiding in St. Petersburg genoten. Het koor heeft een waarde in zichzelf. Die waarde zit in onze liturgische traditie, maar is net zo goed verscholen in de leden. Ik hoop dat die innerlijke spirituele waarde opnieuw ontdekt, behouden en gecommuniceerd wordt op het niveau van het koor en ieder op zijn eigen persoonlijke manier.

Zo komen we dus bij het jubileum: 50 jaar Nijmeegs Byzantijns Koor, een hele prestatie. Nog vele jaren erbij gewenst dus: “Mnógaja ljéta!”

© Nijmeegs Byzantijns Koor – Leden en dirigente van het Nijmeegs Byzantijns Koor in de Byzantijnse kapel. Gepubliceerd met toestemming van het bestuur.

Voor meer informatie over het Nijmeegs Byzantijns Koor en de concertagenda, zie hun Facebook-pagina en webpagina.

Filmbespreking: ‘Waar ben je, Adam’ [‘Где ты, Адам?’] (2019) van Aleksandr Zaporoshchenko en Aleksandr Plyska

Door Paul Baars.

Het voltallige team van vrijwilligers van het Instituut voor Oosters Christendom (IvOC) zag kans om zaterdag 20 augustus de film ‘Waar ben jij, Adam?’ te bezoeken in het cultureel centrum Acropolis naast het klooster van de Franciscanen in Megen (‘Где ты, Адам?’, 2019).

© Wikimedia Commons: Aanzicht van het Dochiariouklooster op Berge Athos in Griekenland.

Deze film is geregisseerd door de Oekraïense cineast Aleksandr Zaporoshchenko en bedacht door de orthodoxe diaken Aleksandr Plyska. De diaken was zelf aanwezig in Megen om een kleine inleiding te geven en naderhand vragen te beantwoorden. Hij heeft door het project een speciale band opgebouwd met het klooster en probeert er elk jaar drie maanden door te brengen. De film laat het leven in het Docheiariou klooster zien, één van de kloosters op de heilige Berg Athos, gesticht in de tiende eeuw. De film is gemaakt met de zegen van de hegumen van het klooster, Grigori, die ook op de reclameposter te zien is. Na zeven jaar voorbereiding heeft een filmploeg drie jaar lang opnames gemaakt. Daarna is uit de 80 uur beeldmateriaal 80 minuten film geselecteerd. Het is geen documentaire in de strikte zin. Er is geen gids die je rondleidt in het klooster en alles van uitleg of commentaar voorziet. Toch is het geen stille film. Verschillende monniken en vooral hegumen (prior) Grigori komen aan het woord. Diaken Aleksandr benadrukt dat men uitdrukkelijk geen commentaar of meningen over het klooster heeft willen geven, maar een directe indruk wil geven van wat men ervaren heeft. Die keuze geeft ons als toeschouwers een grote vrijheid onze eigen mening te vormen, maar behoedt ons ook voor een te snel oordeel.

Diaken Aleksandr hoopt dat het zien van de film ons verstilling en inkeer geeft, waardoor wij opnieuw naar onszelf en elkaar gaan kijken en naar elkaar kunnen luisteren. Hij benadrukte dat je daarvoor niet per se naar de Athos hoeft te gaan, maar dat je dat ook dichtbij in je eigen omgeving kunt ervaren. Hij hoopt dat die verstilling en dialoog kunnen bijdragen aan een betere wereld en nodigde daartoe iedereen uit ongeacht zijn of haar overtuiging. De twee aanwezige franciscanen werden uitdrukkelijk verwelkomd en één van hen hield na afloop een dankwoord.

Allereerst viel mij de mooie natuur van de Athos op in verschillende weersomstandigheden en seizoenen. Vervolgens viel mij op dat werken heel belangrijk was voor het leven van het klooster: herstelwerkzaamheden, bouwen, de moestuin, de keuken, het bedienen van de monniken in de refter, het schoonmaken van het klooster en de kerk, en het restaureren van iconen. Een monnik heeft de taak de groeiende groep katten van het klooster te verzorgen tegen de ratten, muizen en slangen. Soms was het gereedschap aandoenlijk antiek, soms was het heel modern. Een behoorlijke groep leken helpt de monniken mee. Slechts een beperkt aantal monniken draagt de vieringen van het klooster. De anderen werken gewoon door en doen de Uren (het officie) eenvoudig op de werkplek buiten het klooster. Dat is een verschil met de meeste westerse kloosters. Een hoogtepunt is natuurlijk de Paasnacht in het klooster.

Het is een pretentieloze, nederige film geworden. Er wordt niet opgeschept, geoordeeld en ook niet gescholden op katholieken, protestanten, andere patriarchaten of op de moderne wereld. Het toverwoord ‘hesychasme’ heb ik niet horen vallen. Men spreekt wel van “het engelachtig leven”, niet als beschrijving van de realiteit van het klooster, maar als het lichtende voorbeeld waarnaar men zich richt. De hegumen Gregorios is zelf ook nederig. Hij is oud, loopt moeilijk, maar gaat nog steeds voor in de liturgie en is aanwezig bij de werkzaamheden. Hij is soms somber. Er wordt over hem geroddeld, vindt hij. “Mijn twee grootste fouten zijn, dat ik heb toegestemd om priester te worden, toen ze mij dat vroegen, en dat ik heb toegestemd om hegumen te worden toen ze mij dat vroegen. […] Sommige monniken zijn voor mij een kruis, maar ik moet geduldig blijven.” Soms is hij emotioneel en laat hij een traan. Een enkele keer is hij vrolijk.

Het lukt Grigori om de zin van het leven in dit orthodoxe kloosterleven eenvoudig en helder uit te leggen. Allereerst gaat het om gehoorzaamheid, om het opgeven van je eigen wil en prestige. Hij gaat daar vrij ver in: “Je moet jezelf verachten!” Vervolgens benadrukt hij dat het alleen lukt met hulp van Gods genade: “De mens kan misschien vijf van de honderd stappen in het leven zetten. De andere vijfennegentig zet God. Maar Hij kan dat alleen doen, wanneer je zelf ook stappen zet.” Hij heeft een grote devotie tot de ‘Moeder Gods van het snelle verhoor’ (Gorgoepikoos), van wie het klooster een beroemde icoon bezit. Hij raadt iedereen aan om tot die Moeder Gods te bidden. Wanneer zij niet onmiddellijk helpt moeten we niet ontmoedigd raken. Dat dient om ons verlangen en ons gebed uit te zuiveren, waarna we toch verhoord worden. Op het eind verklaard Grigori ons de betekenis van de titel van de film: ‘Waar ben jij, Adam?’ Het is een citaat uit het Oude Testament: Genesis 3, vers 9. Hij zegt: “Natuurlijk wist God waar Adam na de zondeval zat! Want Hij weet alles. Maar Hij wachtte af, opdat Adam berouw kon tonen.” We moeten ons bewust worden van onze zonden en fouten, berouw hebben en dan komt alles uiteindelijk goed.

Er waren niet veel vragen na afloop van de film. Iedereen was stil geworden. Twee bezoekers vertelden dat ze binnenkort naar de Athos zouden gaan en de berg wilden beklimmen. Ze vroegen de diaken om advies. Dat advies was: “Neem twee wandelstokken mee, doe het rustig aan, vraag advies aan de omwonenden en neem eens een keer je mobieltje niet mee!”

Ik vond de film de moeite waard. De enige opmerking die ik hoorde was dat niet alles wat in het Grieks gezegd werd ook in de ondertiteling terugkwam. De film deed mij denken aan twee andere films. De eerste daarvan is de film ‘Into Great Silence’ (2006) over de Kartuizers in hun moederklooster Le Grand Charteuse in Frankrijk. De tweede film is zag ik twintig jaar geleden en ging over Rembrand. Die film was nog stiller. Je ziet Rembrand bezig, vangt een glimp op van zijn atelier, zijn schilderijen en de mensen in zijn omgeving. De eerste film is nog makkelijk via internet of in de winkel te vinden. De tweede film, waarvan ik de naam niet eens meer weet, kan ik niet meer terug vinden. Weet iemand van de lezers dat nog?

Portret: Liefde voor God, liefde voor de mens. Vrouwelijke orthodoxe theologen van de 20e eeuw over theosis

Door Heleen Zorgdrager.

In deze lezingenserie verkennen we wat een oosters-christelijk perspectief ons kan aanreiken met betrekking tot een visie op de menselijke waardigheid. Eerdere sprekers in de reeks hebben al helder gemaakt hoe in het oosters-orthodoxe spreken over menselijke waardigheid de notie van theosis centraal staat. De zin van het menselijk leven bestaat erin dat in elke mens het evenbeeld van God groeit en zichtbaar wordt om hem of haar gelijk aan God, dat is voluit persoon, te laten worden.

Vanaf mijn eerste kennismaking met het begrip theosis (dat was overigens ver na mijn protestantse theologie-opleiding) intrigeerde het mij. Het resoneerde omdat er veel verwantschap leek te zijn met hoe in feministische theologie over persoon-zijn gesproken werd als een roeping tot mens-zijn voorbij begrenzing door genderrollen en -verwachtingen. Het fascineerde me ook omdat dualiteiten tussen ziel en lichaam, en God en mens, erin overstegen werden. Tegelijk wekte het mijn nieuwsgierigheid. Hoe zijn vrouwen in de orthodoxe traditie met dit begrip omgegaan? Heeft het hen geïnspireerd om kritisch te kijken naar de genderongelijkheid in samenleving en kerk? Hebben zij er emancipatoire, bevrijdende betekenissen in gevonden of aan toegekend?

In deze lezing wil ik enkele vrouwelijke orthodoxe theologen uit de twintigste eeuw aan u voorstellen die elk op eigen wijze naar de betekenis gezocht hebben van theosis, deïficatie, ‘vergoddelijking’, in relatie tot de vragen van hun tijd. Ik wil nagaan hoe zij invulling gaven aan deze notie met betrekking tot menselijke waardigheid en hoe zij zich daarin kritisch uitten over dominante tendensen in oosters-christelijke interpretaties van theosis.

Hun namen zijn Myrrha Lot-Borodine (1882-1957), Maria Skobtsova (1891-1945) en Elisa beth Behr-Sigel (1907-2005). De drie theologen vertegenwoordigen wat we kunnen noemen het ‘vrouwelijk gezicht van Orthodoxie’ in de twintigste eeuw. Een vrouwelijk gezicht dat lange tijd buiten beeld gebleven is, omdat de eerstgenoemden nauwelijks gezien en erkend werden als volwaardige theologen en omdat voor alle drie geldt dat zij als vrouwen in hun tijd niet de publieke academische en kerkelijke posities bekleedden die hun een gezag en status verleenden vergelijkbaar met de mannelijke theologen. Alle drie leefden ze in Frankrijk, in verschillende, maar overlappende periodes, en maakten ze deel uit van de gemeenschap van Russische emigranten, doordat ze zelf Rusland hadden moeten verlaten vanwege studie (Myrrha Lot-Borodine), vlucht (Maria Skobtsova), dan wel door vriendschap en huwelijk (Elisabeth Behr-Sigel). Ze deelden inhoudelijk veel met orthodoxe theologen als Florovskii, Bulgakov en Lossky met wie ze volop in gesprek waren. Maar met betrekking tot het begrip theosis leggen ze toch enkele opvallend andere accenten. Bij elk van hen wil ik nagaan wat het specifieke van hun visie is en hoe ze zich de weg naar persoon-zijn als gelijk worden aan God voorstellen.

Myrrha Lot-Borodine: de reis van een mystica

Myrrha Borodine werd geboren in 1882 in St. Petersburg en stierf in 1957 in Fontenay aux-Roses ten zuiden van Parijs. Haar vader was botanicus aan de universiteit van St. Petersburg. Ze genoot onderwijs aldaar aan de Prins Obolensky universiteit voor vrouwen en trok in 1906 voor verdere studie in romaanse letterkunde naar Parijs. Ze verkreeg haar doctorsgraad in 1909 met een proefschrift over de vrouw in het oeuvre van de middeleeuwse dichter Chrétien de Troyes. Ze trouwde met de toen al beroemde professor in middeleeuwse geschiedenis Ferdinand Lot. Myrrha Lot-Borodine werd zelf een toonaangevende geleerde in de Franse en Angelsaksische hoofse literatuur. Vanuit dat onderzoek raakte ze geïnteresseerd in de mystieke theologie van Bernard van Clairveaux, waarover ze colleges bezocht bij Etienne Gilson aan de Sorbonne. Ook bezocht ze de zondagse colloquia die gehouden werden in het huis van de Russische filosoof Nikolai Berdyaev, waar thema’s van Russische religieuze filosofie besproken werden. Tijdens een van die zondagmiddagen presenteerde Georges Florovsky over het idee van theosis. Myrrha Lot Borodine werd er onmiddellijk door gegrepen.

Het was maar een kleine stap van waar zij al mee bezig was in de hoofse poëzie. Hier had ze al ontdekt hoe de menselijke natuur, ontbrand door erotische liefde, een aangeboren tendens heeft naar het bovennatuurlijke, de “goddelijke aanraking.” Denk aan de ridder Lancelot du Lac uit de koning Arthur legende. Hij wordt hopeloos verliefd op de onbereikbare dame Guinevere, de vrouw van koning Arthur. Zijn einde is symbolisch: hij sterft als een kluizenaar. Alle vleselijke resten van zijn liefde voor de dame moeten verteren in ascetische zuivering. De wereldse liefde transformeert in goddelijke liefde.

In 1932 en 1933 publiceert Lot-Borodine twee essays over deïficatie in de Revue de l’histoire de religions. Later zal ze er ironisch over zeggen dat dit haar de reputatie van “théologienne” heeft bezorgd. Zij wordt met deze artikelen de eerste die de notie van théosis binnenbrengt in het moderne Westerse denken, een rol die wel erkend wordt zonder dat men tot nu toe inhoudelijk veel interesse getoond heeft voor haar gedachten. Ze benadert theosis als een levend fenomeen. De theologische leer reflecteert voor haar een mystieke ervaring en een ascetische praktijk. Haar benadering is organisch en ervaringsmatig en ze schrijft in een poëtische, rapsodische stijl. Ze put uit een breed scala aan oosterse bronnen waarvan veel in die tijd nog niet toegankelijk waren in Westerse talen. Ze heeft voorkeur voor vroegchristelijke theologen uit de gnostiek en de neoplatoonse traditie, zoals Clement van Alexandrië, de woestijnvaders, de Cappadociërs (in het bijzonder Gregorius van Nyssa), Dionysius de Areopagiet, Maximus Confessor en Simeon de Nieuwe Theoloog. Soms plaatst ze verrassend middeleeuwse mystici als Bernard van Clairveaux en Hildegard van Bingen naast haar favoriete kerkvaders.

In haar opvatting over theosis benadrukt ze de eenheid van lichaam en ziel, en haalt die theologen uit de traditie aan bij wie ze die gedachte verwoord ziet. De nous kan niet versmald worden tot een puur intellectueel vermogen, maar is het punt waar lichaam en ziel als een eenheid gevonden worden in het centrum van de mens. Eenzelfde nadruk op eenheid van ziel en lichaam komen we tegen in haar visie op ascese. Ze uit kritiek op de dominante monastieke opvatting van ascese waar de liefde tot God alle vitale krachten van de mens lijkt te absorberen. Zij noemt deze deugden van het monastieke leven “eerder engelachtig dan apostolisch.” Voor haar kan het niet bestaan dat eros en agape tegenover elkaar komen te staan. Ze meent dat in de liefde die uit het een worden met God voortvloeit de hartstocht van belichaamde eros verbonden zou moeten zijn met de zelf-gevende aspecten van goddelijke liefde, de agape. Eros en agape komen samen in een eros extatikos, die voor haar de koningin van de deugden is. In de hoogste staat van contemplatie zullen alle menselijke activiteiten opgeschort worden en zal de mystica in overgave een vervoering van de geest (nous) ervaren. Deze extatische liefde noemt ze een amour fou, een alles verterend, gek zijn van liefde. Van hieruit wordt de ascetische praktijk een vitale, belichaamde praktijk van liefde, vol van erotische energie.

Nu zou het kunnen lijken alsof de persoonlijke zoektocht naar eenwording met God de exclusieve aandacht heeft van Lot-Borodine. Deïficatie kan dan lijken op een ascetische oefening los van de gemeenschap. In latere artikelen laat ze een meer gemeenschappelijke perspectief zien, bijvoorbeeld in haar werk over de 14de-eeuwse Byzantijnse theoloog Nicholas Cabasilas. In zijn werk vindt ze sporen die het ascetische en persoonlijk-mystieke integreren met het liturgische, de individuele reis van de ziel met het mystieke ritueel van de Goddelijke Liturgie. Daar lukt het haar een brug te leggen tussen het uiterlijke “mystieke ritueel en de innerlijke, individuele ervaring van de ziel in haar zoeken naar de Meest Beminde.” De brug wordt gevonden in de vierende gemeenschap, niet in de institutionele kerk. In haar essays over theosis legt ze ook een verbinding met de genderkwestie. Zij vraagt in een voetnoot – een meer prominente plaats lijkt ze niet te durven geven: “Zal er een dualiteit van de seksen zijn in de vergoddelijkte staat?” Haar antwoord is ontkennend. De bestemming van menselijk leven is een volle, androgyne humaniteit, die het mannelijke en vrouwelijke transcendeert evenals alle andere tijdelijke differenties.

Moeder Maria Skobtsova: de kenotische weg volledig gaan

Maria Skobtsova is vooral bekend geworden door haar radicale sociale engagement en haar dood als een martelaar in Ravensbrück. Maar ook was zij een academisch opgeleide theoloog die actief betrokken was bij de ontwikkeling van Orthodoxe theologie in de moderne tijd.

Ze werd geboren als Elizaveta Pilenko in 1891 in een aristocratische familie in Riga. In haar jeugd verhuisde het gezin naar Anapa aan de Zwarte Zee, waar haar vader burgemeester werd. Na de dood van haar vader trok de familie naar St. Petersburg. Als tiener ontmoette ze de dichter Aleksandr Blok en kreeg interesse in het marxisme. Ze sloot zich aan bij de artistieke en revolutionaire avant-garde van St. Petersburg en ging theologie studeren aan de St. Petersburg Geestelijk Academie, als eerste vrouw. Ze is twee keer getrouwd geweest, beide huwelijken eindigden in scheiding. Met haar eerste man Dimitrii Kuzmin-Karavaev kreeg ze een dochter Gaiana en met haar tweede man Daniel Skobtsova de kinderen Yuri en Anastasia.

In de tumultueuze jaren na de Russische Revolutie verliet ze St. Petersburg en kwam na veel omzwervingen in Parijs terecht. In Parijs nam ze deel aan cursussen in St. Serge Theologische Academie waar ze de toonaangevende filosofen en theologen leerde kennen: Georgy Fedotov, Sergei Bulgakov, Lev Zander en Nikolai Berdyaev. Ook gaf ze zelf theologische lezingen aan de jeugdorganisatie van Russische emigranten. Naast haar grote intellectuele belangstelling was ze ook kunstzinnig. Ze deed aan icoonschilderen, borduurkunst en schreef gedichten en toneelstukken.

Haar leven nam een dramatische wending door de dood van haar driejarige dochtertje Anastasia. Het meisje stierf aan meningitis in 1923. Het brengt haar bestaan aan de afgrond. Het wordt voor haar een afgrond van ‘goddelijke visitatie’ waarin God zich aan haar openbaart en ze de werkelijkheid tot in de diepte ziet. Ze schrijft erover in haar memoires:

“[…] toen ik achter de kist liep op de begraafplaats, ging alles ineens voor me open. Ik werd deel van een universeel alomvattend moederschap […]. Ik zag een andere weg en een nieuwe betekenis van het leven, welke was de moeder te zijn van allen die bescherming nodig hebben.”

“De dood van een geliefde is de deur die ineens opengaat naar de eeuwigheid. In het bezoeken van ons, openbaart de Heer de ware natuur van de dingen: aan de ene kant een dood skelet van een mens en van alle sterfelijke schepping en aan de andere kant, tegelijkertijd, de Geest van vuur, gever van het leven, trooster die alles volmaakt en vervult.”

Ze ervaart het als een goddelijke roeping en laat zich wijden tot non. Ze ontvangt de naam Maria, naar de woestijnmoeder Maria van Egypte. Ze zoekt geen leven tussen vier muren maar wil spreken en handelen in de woestijn van menselijke harten. De wereld wordt haar klooster.

Ze begint een opvanghuis in de Rue de Lourmel in Parijs. Het wordt een gastvrije plaats voor dakloze immigranten, prostituees, ex-gevangenen en ook voor kunstenaars, intellectuelen en priesters.

Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt wordt het een schuilplaats en ontsnappingsroute voor joden en mensen van het verzet. Moeder Maria en haar helpers, onder wie haar zoon Yuri, worden verraden. Ze wordt naar Ravensbrück gedeporteerd waar ze op 31 maart 1945 in de gaskamer wordt vermoord.

In haar theologische werk staan de volgende thema’s centraal: liefde voor de naaste als de actualisering van de liefde voor God, sobornost (gemeenschap, katholiciteit); persoon zijn; en de correspondentie tussen de weg van Christus en de weg van Maria, de Moeder van God.

In het lange essay ‘Typen van religieus leven’ (1937) bespreekt ze vijf typen van vroomheid die volgens haar te vinden zijn in de orthodoxe kerk. Ze vraagt bij alle vijf: kunnen we hier echte liefde vinden en geeft dit antwoord op de vragen van kerk en samenleving in deze tijden van wanhoop?

De typen zijn: het synodale type, het ritualistische type, het esthetische type, het ascetische type en het evangelische type.

Het evangelische type laat de ware ascese zien. Het vraagt de gelovige om, in het beeld van Mattheüs 22, naar buiten te gaan de wereld in als de plaats waar Gods liefde geïncarneerd wil worden. Ware ascese is een act van jezelf helemaal ontledigen in liefde voor de ander. Mensen kunnen, schrijft ze, zich laten bedwelmen door de schoonheid van de orthodoxe liturgie. Echter, terwijl de wierook opstijgt en het zingen maar doorgaat zien zij niet dat:

“[…] Christus naar buiten gaat en zich mengt met de menigte: de armen, de lepralijders, de wanhopigen, de verbitterden, de heilige dwazen. Christus gaat naar buiten de straat op, naar de gevangenissen, de ziekenhuizen, de afstotelijke plekken. Telkens weer geeft Christus zijn ziel voor zijn vrienden.”

In deze afdaling naar de armen zoekt Christus naar het goddelijk beeld, de weerspiegeling van eeuwige schoonheid in onze lelijkheid, in onze ellende, om dat beeld op te delven en ons in volle menselijke waardigheid binnen te brengen op het bruiloftsfeest.

Het dubbelgebod van de liefde is alles voor Maria Skobtsova. We kunnen God niet liefhebben zonder de naaste lief te hebben en zijn of haar bestemming in de theosis. We kunnen de naaste niet echt liefhebben als we God niet liefhebben die ons het zicht geeft op het beeld van God in de naaste.

De weg van Christus’ liefde was zijn God-mensheid (een term uit de Russische religieuze filosofie van Vladimir Solovyov), een goddelijke menselijkheid. Skobtsova tekent deze weg uit als een moederlijke liefde. Moederliefde is echt christelijk als ze in het kind niet haar eigen beeld ziet, maar een authentiek beeld van God, evenals in alle mensen. Het zal leidentot een houding van radicaal ‘niet-bezitten’, tot een liefde die zichzelf uitschenkt. Skobtsova vat samen “Zo wordt het mysterie van eenwording met de mens het mysterie van eenwording met God.”

De Eucharistie is het symbool hiervan. Het aardse vlees wordt in de communie vergoddelijkt en ontvangt kracht om op zijn beurt communie, gemeenschap aan te gaan met aardse lichamen, met andere mensen. Zo is de christenheid geroepen tot een “eeuwig vieren van goddelijke liturgie aan gene zijde van de kerkmuren.” Liturgie na de liturgie. Het sacrament van het altaar wacht erop gecelebreerd te worden op het altaar (het hart) van de broeder of zuster in nood, om de waardigheid van anderen concreet te bevestigen.

In het essay van 1937 beschrijft Skobtsova Christus’ liefde als moederliefde. In een essay twee jaar later, getiteld ‘Over de navolging van de Moeder van God’, preciseert ze deze visie. Ze onderscheidt nu twee manier van christelijke liefde: de weg van het kruis, van de opofferende dienst aan de wereld, en de weg van het zwaard (dat door Maria’s ziel gaat). Staat de weg van het kruis voor het actief aanvaarde lijden van Christus, de weg van het zwaard staat voor lijden ondergaan in de vorm van compassie, het actief meelijden aan de pijn van de ander. Als de ziel deze pijn bewust aanvaardt, zal Christus in haar geboren worden. Dan zal het zwaard zelf het kruis worden, het kruis dat de ziel bereid is op te nemen door de last mee te dragen van anderen. Met apostel Paulus zegt Skobtsova dan “het is niet langer ik die leef, maar het is Christus die in mij leeft” (Gal 2:19-20). Zulke zielen, stelt ze, nemen deel aan de redding van de wereld.

Elisabeth Behr-Sigel: persoon-zijn als kritisch concept voor gender analyse

Elisabeth Charlotte Sigel werd in 1907 in Straatsburg geboren. Ze stierf in 2005 op de hoge leeftijd van 98 jaar in Parijs. Ze was de dochter van een Franse lutherse vader en een Oostenrijkse joodse moeder. Ze werd gedoopt in de lutherse kerk. Tijdens haar theologiestudie aan de Protestantse faculteit in Straatsburg raakte ze bevriend met Russische emigranten. Diep geraakt door een Paasliturgie geleid door Vader Sergei Bulgakov trad ze in 1929 toe tot de Orthodoxe kerk. Het weerhield haar er niet van ook nog enige tijd als pastor te werken in de protestantse kerk in Villé-Climont in de Vogezen. Ze trouwde in 1933 met de Russische emigrant André Behr.

Elisabeth Behr-Sigel is prominent bemiddelaar geworden van Orthodoxe theologie in de Westerse context en heeft vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw een grote bijdrage geleverd aan het Orthodoxe en oecumenische gesprek over de wijding van vrouwen in kerkelijke ambten.

Haar theologie kan gekenmerkt worden als een theologie van incarnatie en persoon-zijn. Ze ziet de roeping van de menselijke persoon als doordrongen worden van Christus, zodat ik op mijn beurt Christus kan present stellen voor anderen. Evenals voor Maria Skobtsova staat ook voor haar de notie van kenosis centraal. Theosis realiseert zich langs de weg van kenosis, van afdaling in de wereld.

Skobtsova is voor haar een rolmodel voor deze sociaal-spirituele interpretatie van theosis. Ze laat zien dat er een andere vorm van monastiek leven is, namelijk je onderdompelen in de diepte van de stad waar God afwezig lijkt, om daar een transfigurerend licht te laten schijnen over de seculiere wereld. De monnik of de non in de stad: in dit beeld komen voor Behr-Sigel de kenotische en vergoddelijkende aspecten van een Christus-gelijkvormig leven in de moderne tijd samen. Christus-gelijkvormig leven houdt in dat de gelovige met Christus en de Geest moet lijden in het proces van de geboorte van een nieuwe menselijkheid. Ze stoelt deze visie op deïficatie ook op de 19de-eeuwse theoloog Feodor Bukharev (1822-1871) over wie ze haar dissertatie schreef.

“Zonder iets van Christus op te geven, blijf trouw aan de aarde” was het motto van Bukharev, dat verrassend in de buurt komt van Bonhoeffers spiritualiteit en al voor lijkt te zijn op Nietzsche’s godsdienstkritiek.

In haar latere leven formuleert ze het zo: theosis, voluit persoon worden, is de roeping om solidariteit in gemeenschap te verdiepen. Is de taak van christelijke theologie niet, zo vraagt ze, om ‘solidariteit in gemeenschap te verdiepen’, vanuit de zekerheid dat er één enkele mens, één enkele Adam bestaat die voortdurend gebroken wordt door onze zonden en voortdurend hersteld wordt in Christus in wie we allen consubstantieel bestaan?

Een ander kenmerk van Behr-Sigels visie op theosis is dat het een ‘werkelijk’ maar niet ‘natuurlijk’ proces is. Ze bekritiseert Bulgakov die met zijn concept van progressieve deïficatie te veel de voorstelling heeft van een soort natuurlijke evolutie van de mensheid. Voor Behr-Sigel blijft het kruis van Jezus de permanente verstoring van elke natuurlijke morele progressie van de mensheid.

Voor het moderne persoonsbegrip is Vladimir Lossky voor Behr-Sigel een invloedrijke bron geweest, later aangevuld door de Canadese theologe en non Nonna Verna Harrison voor wat betreft de betrekking op gendervragen. Theosis als persoonswording heeft betrekking op de heelheid van mensen. Het geheim van menselijke waardigheid wortelt in een apofatische theologie en in onze identiteit als gedoopten in Christus. Het niet-kunnen-zeggen wie God is wordt weerspiegeld in het niet-kunnen-zeggen wie de mens is. De menselijke bestemming is eschatologisch open. Behr-Sigel gaat scherpe discussies aan met theologen als Paul Evdokimov en Thomas Hopko die in hun theologische antropologie onderscheid maken tussen mannelijke en vrouwelijke archetypen, bestemmingen en charisma’s. De waarheid van de doop is echter dat vrouwen en mannen gelijkelijk geroepen zijn om als iconen de Gezalfde tegenwoordig te stellen. Met Gregory van Nyssa aan haar zijde stelt ze dat alle mensen een mysterieuze vrijheid hebben om als persoon te groeien in gelijkheid met God. Zij komt dichtbij wat in theologische genderstudies nu genoemd wordt: een religieus geïnspireerde vrijheid om gender en seksuele identiteiten vorm te geven (performing). Het theologische persoonsbegrip vormt voor haar en andere Orthodoxe vrouwen een creatieve bron om kritiek uit te oefenen op masculiene verbeeldingen van persoon-zijn en op vertogen van waardigheid waarin allerlei stereotypen rond ‘waardigheid van de vrouw’ deel van uitmaken.

Conclusie

Wat kunnen we concluderen uit hoe deze drie theologes zich de orthodoxe tradities van thesis toe-eigenen?

Alle drie vrouwen breken met een masculien ideaal van theosis, gesymboliseerd in de geprivilegieerde positie van de afgezonderde, hesychastische monnik.

In hun visie op theosis als persoonswording ligt de nadruk niet op zelfvervolmaking maar op de communicatieve en sociale aspecten waarbij heel de mens betrokken is. De traditionele stadia op de weg naar goddelijk-menselijke vereniging (loutering, verlichting, aanschouwing) worden overgebracht naar en nieuwe richting gegeven in realisaties in concrete levensrelaties.

Tenslotte, het concept van persoon-zijn is in de oosters-christelijke traditie diep verbonden met erkenning van de vrijheid van de mens. Dan valt het volgende op. Voor Zizioulas kan alleen de monarchie van de Vader de mogelijkheid van menselijke vrijheid funderen. Zijn Triniteitsleer beschrijft relaties van ‘being in communion’ van de goddelijke personen, maar de Vader is toch de archè, het absoluut vrij handelende principe van het begin. Anders zou, aldus Zizioulas, het zijn van God onderworpen zijn aan noodzakelijkheid, en dus niet vrij zijn, en daarmee ook geen vaste basis kunnen zijn voor de vrijheid van de mens. Hier slaat Skobtsova een andere weg in. Voor haar is wederkerigheid het goddelijk paradigma en de basis van vrijheid. De oorspronkelijke, funderende relatie is die waarin vrijheid gevonden wordt in de act van niet-bezittende, wederkerige liefde, zoals tussen Maria en de Zoon. Daarin vindt zij het goddelijk paradigma van gemeenschap in andersheid en andersheid in gemeenschap. Zijn-in-gemeenschap heeft niet een beginpunt van vrijheid nodig, het zijn in niet-bezittende gemeenschap is vrijheid, schenkt vrijheid, beschermt de andersheid van de ander en van jezelf.

Het laat zien dat de theologische interventie van Orthodoxe vrouwen tot op de fundamenten gaat zonder dat ik dat nu verder in detail kan uitwerken. Ik hoop dat deze kennismaking-in-vogelvlucht het belang van luisteren naar hun originele stemmen heeft gewekt.

Heleen Zorgdrager. Zij genoot haar onderwijs als theologe in Kampen en Lutherstadt Wittenberg. Haar proefschrift gaat over de betekenis van gender in het werk van Schleiermacher. Sinds 2010 is verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en als gasthoogleraar aan de Oekraiense Katholieke Universiteit in Lviv.

© Katholieke Vereniging voor Oecumene (KvVO). Gepubliceerd met toestemming van de redactie van Perspectief en de auteur. Voor meer informatie en het artikel, zie de webpagina van Perspectief hier.

‘Oosterse’ en ‘Westerse’ zangtradities in Oost-Europa en de Balkan

Door Paul Baars.

In Oost-Europa vind je tegenwoordig grofweg twee grote zangtradities in de orthodoxe of byzantijnse liturgische traditie, die ik hier omschrijf als: ‘Westers’ en ‘Oosters’. Die Westerse traditie is bij ons heel bekend. Ze wordt met veel enthousiasme vertolkt door de vele ‘Byzantijnse’ of ‘Slavische’ koren, die ons land rijk is. Componisten als Rachmáninov, Bortnjánskij, Tsjajkóvskij, Árchangelskij, Chrístov en Kédrov zijn erg populair.

De meest ‘Westerse’ muzikale tradities van Rusland ervaren wij in het Westen dus juist als typisch Oosters of Russisch. Een zekere nostalgie naar ons eigen verleden speelt daarin mee, toen je in de Rooms-katholieke Kerk op zondag nog missen van Mozart kon horen. Er zijn natuurlijk eigen elementen in die traditie: traditionele melodieën en het oude Kerkslavisch. Maar de verwerking daarvan sluit nauw aan bij de Westerse polyfone concertmuziek van de laatste eeuwen. Enkele van de genoemde componisten hebben hun opleiding genoten in het Westen en werden met name beïnvloed door de Romantiek, opera en moderne klassieke muziek. Bij het laatste kun je denken aan eigentijdse orthodoxe componisten, die Westerse en nieuwe stijlen combineren, zoals diaken Sergej Trubatsjóv, bisschop Hilarion Alféjev en de bekeerlingen John Tavener en Arvo Pärt. Het is prachtige muziek, maar naar mijn mening vaak meer geschikt voor een concert dan voor een liturgische viering. Naast deze concertmuziek kent Rusland een traditie van eenvoudige meerstemmige parochiemelodieën, de zogenaamde ‘obichód’(wat je met ‘gewoon’ kunt vertalen). Deze zangwijze is in de 18de eeuw in Rusland ingevoerd van bovenaf, door het hof en de Tsaren, tegen de zin van veel gelovigen en kloosters in. Ze is verwant met de zang die de Duitse protestantse kerken in die tijd gebruikten. Het Duitse piëtisme heeft in die periode veel invloed uitgeoefend op het geestelijke klimaat in Rusland. Men kon zo ook concurreren met de polyfone zang, die in aangrenzende landen als het katholieke Polen populair werd.

Naast deze vrij recente ´Westerse´ traditie bestaat in Oost-Europa een oudere, eigen ‘Oosterse’ muzikale tradities, die haar oorsprong heeft in de Griekse, Byzantijnse cultuur. Later is die traditie aangepast aan lokale omstandigheden en de lokale talen, bijvoorbeeld Kerkslavisch (oud-Bulgaars), Roemeens of modern Servisch. Ze is beïnvloed door de lokale volksmuziek. Kenmerkend voor deze traditie is de eenstemmigheid, waarbij de melodie ondersteund wordt door een zogenaamde ‘ison’, ofwel bourdon-toon. Het gebruik van zo’n ‘ison’ vind je terug in veel volksmuziek van Schotland, via Armenië tot in India. Deze eigen tradities zijn de laatste jaren in Oost-Europa herontdekt. Oude handschriften zijn uit stoffige kelders en zolders gehaald. Men kiest meestal voor kleinschaligheid, waarbij de voorzanger (proto-psaltis) een belangrijke rol heeft en er ruimte is voor improvisatie binnen de vooraf gegeven schema’s van de acht tonen. Zo’n ensemble heeft geen dirigent in westerse stijl, die tegenover het koor staat, maar een voorzanger (proto-psaltis), die als ‘eerste psalmzanger’ ofwel koorleider, als eerste onder gelijken tussen de andere koorleden staat. Je vindt in Midden-Europa ook een oudere traditie van tweestemmigheid, die nauw aansluit bij de volksmuziek en verwantschap vertoont met muziek uit de vroege renaissance in het Westen.

Tot 1900 zongen in orthodoxe kerkkoren alleen de mannen. Alleen in vrouwenkloosters zongen vrouwen in de liturgie. Na 1990 kwamen in Rusland de gemengde koren in zwang. In Griekenland en op de Balkan is de liturgisch zang nog vaak een mannenzaak. Maar de laatste tijd laten vrouwen meer van zich horen. Er wordt bijna nooit gebruik gemaakt van instrumenten. Alles is vocaal ofwel à capella. Dit gebruik onderbouwt men meestal met het argument, dat de menselijke stem het meest direct en onbemiddeld de woorden van adem, van geest kan voorzien. Er wordt ook teruggegrepen op de Joodse traditie. Alleen in de tempel van Jeruzalem zouden instrumenten gebruikt zijn. Daarbuiten en na de verwoesting van die tempel zou men de instrumenten achterwege hebben gelaten.

De Rooms-katholieke Kerk kent ook een ‘Oosterse’ zangtraditie, namelijk het gregoriaans, dat tegenwoordig ook wel op Byzantijnse wijze geïnterpreteerd wordt, soms voorzien van een ison. De musicoloog Marcel Pérèz (1956) heeft op dit gebied veel onderzoek gedaan en laat de resultaten daarvan horen met zijn ensemble Organum. Zijn interessante interpretatie roep veel discussie op. Onderzoek van de oudste gregoriaans en Byzantijnse handschriften heeft opgeleverd dat de oude muzieknotaties soms een grote overeenkomst vertonen. Dat wijst erop dat beide traditie uit dezelfde bron voortkomen. Maar op dit gebied blijven nog veel vragen onbeantwoord.

Net als het gregoriaans kent de traditionele Oosterse zangwijze acht toonsoorten, ofwel acht melodievormen (bij het gregoriaans ‘modi’ genoemd). Je moet daarbij niet verticaal denken in een melodie, ondersteund door opeenvolgende akkoorden volgen een harmonieleer, maar horizontaal in een bepaalde opbouw van de melodie, waarbij bepaalde tonen en motieven belangrijk zijn. Vaak is de opbouw van de melodie bij de opgaande beweging anders dan bij de dalende beweging. Spiritueel kun je de melodie zien als de ziel die opstijgt naar God en terugkeert van God en de ‘ison’ als de aarde, het lichaam, de natuur, die dat ondersteunen. Soms weten we van een gezang wie de componist is, maar dat is meestal niet het geval. Dat vond men in die tijd nog niet zo belangrijk. Men spreekt nog niet van een ‘Onze Vader’ van Kédrov of Rimsky-Kórsakov, maar van een Onze Vader in één van de acht kerktonen. Een componist was in die tijd niet iemand die iets heel nieuws, iets unieks bedacht, maar eerder iemand die een bestaande traditie opnieuw interpreteerde en er een eigen persoonlijke invulling aan gaf.

De oudste Griekse handschriften dateren uit de 12de eeuw. De interpretatie van deze oude handschriften en muzieknotaties is voor musicologen een moeilijke opgave. Het verschilt voor elke periode en elke regio. De muzieknotatie is nog niet voor alle handschriften ontcijferd. De Brediusstichting in Hernen organiseert daarover driejaarlijks een wetenschappelijk congres. Rond 1820 hebben de ‘Drie Leraren’, Chrysanthos van Madytos, Gregorius de Koorleider en Chourmouzios de Archivaris een hervorming en vereenvoudiging van de Byzantijnse muzieknotatie doorgevoerd, die nu nog in Griekenland en op de Balkan gebruikt wordt.

De oude zangtraditie, die in Rusland voorafging aan de Westerse zangwijze, heet ‘známennij raspjév’, wat je met ‘neumenzang’ kunt vertalen. Ook deze traditie is deels van Byzantijnse oorsprong, maar ook beïnvloed door Russische volksmuziek en aangepast aan de Kerkslavische taal. Deze manier van zingen is tot de dag van vandaag blijven voortleven bij de Oudgelovigen, een groep die rond 1650 haar eigen weg is gegaan, omdat ze het niet eens waren met bepaalde hervormingen, die in de Russisch-orthodoxe Kerk plaatsvonden. Ze zijn daarom verbannen naar de randen van het Russische rijk. Hun zangtraditie wordt tegenwoordig opnieuw onderzocht. Ze kennen ook een grote para-liturgische traditie van geestelijke gezangen (duchóvnije stichí), die zij bij de opvoeding en tijdens het werk gebruiken. Later ontstonden in Rusland aanzetten tot eigen polyfonie in de liturgische zang. De grote specialisten op deze gebieden zijnde musicoloog Andrej Kótov met zijn ensemble Sirine, zijn dochter Varvára Kótova en de liturgist Anatólij Grindénko (1950), die we enkele jaren geleden leerden kennen tijdens het jaarlijkse Festival voor Oude Muziek in Utrecht. Eenzelfde tweedeling in Westers en Oosters vind je in Rusland ook terug op het gebied van de volksmuziek. Wat wij nu als Russische volksmuziek kennen is in feite de verwesterde vorm ervan, die men praktiseerde in salons en cafés in Moskou en St. Petersburg op het eind van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw en later in de emigratie.

Griekenland heeft zijn eigen traditionele zangtraditie beter weten te behouden dan Rusland. Wel is deze traditie beïnvloed door de Arabische en Turkse cultuur. De Arabische en Turkse traditionele muziek was op haar beurt eerder al beïnvloed door de Griekse muziek. De liturgische zang werd steeds uitgebreider en rijker versierd en daardoor steeds meer het werk van specialisten en solisten. Lycourgos Angelopoulos (1941-2014) en anderen hebben veel onderzoek gedaan naar de oude handschriften. Die herbronning leidde tot een soort terugkeer naar de oudere, meer liturgische tradities. Angelopoulos was niet alleen wetenschapper, maar inspireerde ook een professioneel koor en een gewoon parochiekoor. Hij was een goed pedagoog en had veel oecumenische contacten. Daarnaast heeft hij ook interesse in het gregoriaans. Hij is voor mij een inspirerend voorbeeld. Aleksander Lingas, een van Angelopoulos’ leerlingen, zet dit werk voort in de Verenigde Staten met zijn ensemble Capella Romana. Deze mensen tonen aan dat Oost en West in de christelijke wereld niet meer bestaan. Het Oosten is door de massale migratie aanwezig in het Westen en het Westen is ook in het Oosten. We kunnen veel van elkaar leren. In de Verenigde Staten vieren veel orthodoxe gelovigen de liturgie in het Engels en wordt ook wel in Westerse stijlen gezongen.

© Lelli e Masotti: Wiki Commons: Lycourgos Angelopoulos tijdens een uitvoering in 2008. De orthodoxe koorleiders dragen vaak liturgische kleding.

Op de Balkan leefden christenen eeuwenlang binnen het Ottomaanse (Turkse) rijk. Eeuwenlang was dat een ‘multicultureel’ rijk, waarin christenen met vallen en opstaan als gemeenschap konden voortbestaan. Maar ze werden wel tweederangsburgers. De orthodoxe kerken vervielen geleidelijk en overleefden in de dorpen, de kloosters en in de bergen. De Grieks-orthodoxe Kerk domineerde alle orthodoxe christenen op de Balkan. Veel bisschoppen waren Grieken en drongen hun de Griekse taal op. De eigen zangtradities raakten daardoor in de vergetelheid. In de 19de eeuw kwam onder invloed van het Westen het nationalisme op en bevochten de volkeren van de Balkan geleidelijk hun onafhankelijkheid. De Westerse invloed op de zang en de architectuur was in die tijd erg groot. Zo nu en dan werd er oorlog gevoerd tussen de nieuw ontstane naties, tussen orthodoxen onderling dus, waardoor nog eens veel verloren is gegaan. Vanaf 1945 kwam de Balkan onder communistisch bestuur. Hoewel de onderdrukking van kerken en christenen niet zo wreed was als in de Sovjet-Unie bleven de kerken in die periode gemarginaliseerd. De Bulgaarse musicoloog Petar Dinev (1889-1980) slaagde er tijdens het communisme nog in enkele boeken met oude melodieën uit te geven. Het ging er soms heftig aan toe op de Balkan. Een voorbeeld daarvan is het leven van proto-psaltis Andon Shachpaski (ca. 1860-1928). Hij werd geboren in het dorp Smojmirovo in het huidige Noord-Macedonië. Omdat zijn vader vroeg stierf, werd hij door zijn oom Lazar, die priester was, opgevoed. Hij leerde niet alleen het vak van kleermaker, maar maakte ook van kinds af aan kennis met de zang in de liturgie. Waarschijnlijk heeft hij in het nabijgelegen Rila klooster, dat nu in het Westen van Bulgarije ligt, nog een zangopleiding gehad. Dat klooster had in die dagen een bloeiende zangtraditie en bezat oude handschriften. Terug in zijn dorp ging hij werken als kleermaker en als voorzanger in de dorpskerk. Hij stichtte daar een zangschool en schreef veel partituren over van de oude traditionele zang in enkele verzamelbundels. De regio werd rond 1920 onveilig gemaakt door revolutionaire en criminele bendes, die de bevolking terroriseerde. Zijn vrouw Hristina, zijn zoon Stefan en zijn dochter Magda werden vermoord. Zelf kon hij ontsnappen. Maar later werd ook hij mishandeld door de bendes. Hij is daar nooit meer goed van hersteld en stierf in 1928. Enkele van zijn leerlingen hebben later hun sporen verdiend in de kerkmuziek en de volksmuziek. Zijn zoon Aralampie (1898-1993) zette zijn werk als koorleider van het dorp tot op zeer hoge leeftijd voort. Rond 2010 werden zijn manuscripten teruggevonden, uitgegeven en gedigitaliseerd door Jane Kodjabashia (1942)

In de 19de en begin 20ste eeuw is er in Rusland en in Midden-Europa onderzoek op gang gekomen naar de oude zangtradities. Hierbij kan men denken aan Béla Bartók (1881-1945) in Transilvanië (nu Roemenië) en aan Stefan Mokranjac (1856-1914) in Servië. Pas vrij recent, na de ineenstorting van het communisme rond 1990, heeft men die draad weer opgepakt. Ze vormen nu een onderdeel van de eigen kerkelijke identiteit, die zowel verschilt van het Westen als van Griekenland. Deze ‘strikte’ scheiding moet natuurlijk niet overdreven worden. De verwantschap met de Byzantijnse/Griekse bronnen blijft vrij groot. In Servië zijn bekende vertolkers van die eigen tradities Dragoslav Pavle Aksentevic (1942) en Divna Lubojevic (1970). In Bulgarije is Dimítar Arnaúdov een van de specialisten en treedt het ensemble Svetoglas buiten de kerk naar buiten. Opvallend is dat bijna al deze mensen zich ook toeleggen op traditionele volksmuziek. In Roemenië wordt deze stroming onder andere vertegenwoordigd door het ensemble Byzantion. Ook sommige kloosters laten van zich horen. Zo is de eigen Byzantijns Slavisch traditie van liturgische zang opnieuw op de kaart gezet. Er zijn prachtige Cd’s gemaakt, die ook in het Westen bekend zijn geworden. Naast deze terugkeer naar de eigen tradities is ook de Griekse traditie op de Balkan de laatste tijd weer populair, waarbij men de melodieën en de stijl van zingen van Angelopoulos en anderen meer navolgt. Deze stroming wordt in Servië vertegenwoordigd door het Moiséj Petrovic Servisch Byzantijns koor onder leiding van Nikola Popmichailov. Daarnaast is ook de Russisch, meer Westerse traditie nog steeds populair. Een deel van de gelovigen is daar zo aan gewend geraakt, dat ze hun eigen herontdekte tradities nog steeds als erg vreemd ervaren, het werk van academici.

Stijlen van zang: een vergelijking

De Westerse en Russische stijl is emotioneler en is vaak meer mineur van aard. Ik hoorde een dirigent zeggen: “Je moet alle tranen van de mensheid verzamelen en dan zingen!” Tot voorkort was er ook een zekere neiging tot triomfalisme, tot een zeer forse uitvoering. Er was in Rusland soms weinig verschil tussen een kerkkoor en het koor van het Rode Leger. Het Russisch kent daarvoor heel wat woorden: “pómpa, pribombássa, pokazánije” [opschepperij, praalzucht]. Wanneer je een patriarchale liturgie hoort in de Christus Verlosser Kathedraal in Moskou, ervaar je dat nog steeds. Maar gelukkig zijn de meeste kerkkoren, ook in Rusland, daarvan af. Men beseft dat liturgie geen concert is en dat de zang geen illustratie is, geen verfraaiing van het geheel. De zang hoort in harmonie te zijn met de andere aspecten van de liturgie. Ze moet de gebeden ondersteunen en niet overstemmen. Ze moet de gelovigen helpen bij hun gezamenlijk gebed. De Byzantijnse stijl is meer retorisch en dichter bij de tekst, meer beschouwend. De herhaling is de methode om de teksten te verinnerlijken. Sommige voorzangers hanteerden ook een heel forse stijl, maar ook dat is er nu gelukkig meestal van af. De Oosterse stijl met een traditionele icoon, meer verheven, meer symbolisch, minder concreet. De Westerse stijl is strakker georganiseerd, het is koormuziek. In de Oosterse stijl is meer ruimte voor improvisatie, voor een persoonlijke invulling. In het Westen zingt men meestal van een partituur, in het Oosten zing men vaak uit de herinnering. In het Westen leer je noten lezen, in het Oosten ga je naast een ervaren zanger of zangeres staan.

Koor in Nijmegen

Ik ben vijf jaar proto-psaltis geweest in de Servisch-orthodoxe parochie van de heilige Sava in Nijmegen. Enkele oudere mensen in de parochie kennen de traditionele gezangen uit hun hoofd. Het is muzikaal eigenlijk heel goed om zonder het harnas van een muzieknotatie van binnenuit te zingen. Ze zingen wat ze van hun grootvader of grootmoeder gehoord hebben. Maar iedere grootvader of grootmoeder, ieder dorp of klooster zingt iets anders. Niet iedereen kende de acht kerktonen nog goed. Onze meeste koorleden hadden niet zulke grootouders. Het lukte mij daardoor aanvankelijk niet de zangers bij elkaar tot één melodie samen te brengen. Daarom ben ik er toch toe over gegaan zo veel mogelijk uit partituren te zingen. In een latere fase kunnen we daar weer wat meer van los komen. Omdat de leden de Byzantijnse muzieknotatie niet konden lezen moesten we ons behelpen met westerse notaties van Mokranjac en Dinev. Dat is wel een handicap, omdat bij de transcriptie van de Byzantijnse naar de westerse muzieknotatie een deel van de nuances en de informatie, die de Byzantijnse notatie bevat, verloren gaat.

Meestal zingt in de huidige orthodoxe traditie alleen het koor. Het koor vertegenwoordigt het hele kerkvolk, dat de viering luisterend meemaakt en de gebeden met gebaren ondersteunt. Het koor moet volhouden, de parochianen komen en gaan. In deze parochie zongen ook enkele vrouwen op de voorste banken achter het koor zachtjes mee, zodat er ook iets van volkszang ontstond. Ook enkele kinderen zongen wat mee, zolang ze er zin in hebben. De vieringen duren voor hen te lang. Na een tijdje verdwijnen ze samen naar de koffiekamer of gaan ze spelen in de tuin.

Ik dacht lange tijd dat het heel moeilijk was om de Nederlandse vertalingen te toonzetten op Byzantijnse melodieën. Russische melodieën leken daarvoor veel geschikter. Maar ik heb die mening moeten herzien. In de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië is al jaren veel werk gemaakt van het gebruik van Byzantijnse melodieën bij de Engelse vertalingen van de liturgische teksten. Dat begint nu ook in het Nederlands taalgebied op gang te komen. Moeder Maria (Hulsker) (1944-2016), hegumena van het Grieks-orthodoxe klooster van de Geboorte van de Moeder Gods bij Asten is ermee beginnen. Vader Antonios van de Griekse-orthodoxe parochie van de Drie Hiërarchen in Hasselt zet dat voort en heeft daartoe een zangschool opgericht, waar je fysiek en elektronisch lessen kunt volgen. De resultaten daarvan beginnen nu ook in de Grieks-orthodoxe parochie van de heilige Theofanu in Nijmegen door te dringen. Ik kan de Byzantijnse muzieknotatie nog niet lezen en beperkt mij daarom tot het zingen van de ‘ison’ ter ondersteuning van de melodie. Een hele nieuwe wereld gaat voor mij open. In de Orthodoxe parochie van Deventer zing ik nog de vertrouwde Russische eenvoudige parochie melodieën, waarin ik in Nederland en Rusland ben opgegroeid. Beide tradities beoefenen we ook in het Kassia koor van Nijmegen, dat uit de Servische parochie is voortgekomen, waarvan ik dirigent mag zijn.

Mensen door te zingen helpen met bidden. Dat is toch een heel mooie taak in een kerk.

Het sacrament van adoptie en de crisis van wezen in Roemenië

Door Petre Maican.

Onlangs heeft een nieuwsartikel, waarin een nogal ongebruikelijk verzoek van een orthodoxe gelovige aan de bisschop van Roemenië naar voren kwam, de aandacht van het publiek weten te trekken. De gelovige heeft de bisschop namelijk gevraagd: “Waarom doet de kerk niets doet aan de situatie van de duizenden wezen en achtergestelde kinderen in het land?” De gelovige heeft een praktische oplossing aangedragen: het instellen van een sacrament van adoptie als voorwaarde voor het ontvangen van de wijding. Op deze manier zou een deel van het probleem worden opgelost. De bisschop antwoordde op de oproep met een verwijzing naar de filantropische activiteiten die de kerk onderneemt, de complexe procedure die gevolgd moet worden bij adoptie en financiële redenen. Hierdoor sloot hij de mogelijkheid uit om adoptie te koppelen aan een eventuele wijding. Het jonge gezin zou niet over de materiële middelen beschikken om een kind te adopteren.

Alvorens u, als lezer, een reactie formuleert op het antwoord van de bisschop, neem even de tijd om na te denken over de situatie. De bisschop verwerpt terecht een eventuele conditionering van de wijding ten aanzien van adoptie (zij het wellicht om andere redenen dan de reden die hij daadwerkelijk genoemd heeft). Een sacrament mag namelijk niet opgedrongen worden. Tegelijkertijd mag niemand gedwongen worden om een kind te adopteren. Iemand die een kind adopteert, kan dat namelijk alleen doen om een bepaalde positie in de samenleving proberen te verwerven. Zulke insteek zal het leven van een kind niet verbeteren. Toch kan het voorstel van een wijding wel gewaardeerd worden.

Het voorstel komt van een goed hart, brandend van de zorg en het mededogen die kenmerkend zijn voor het christelijke ethos sinds de eerste eeuwen. Een periode waarin christenen gehandicapte kinderen adopteerden die door de heidenen aan de kant van de weg waren achtergelaten. Er zit ook een kern van waarheid in de veronderstelling dat wanneer adoptie een sacrament zou zijn, de praktijk zichtbaarder zou worden. Hierdoor zouden meer orthodoxe gelovigen aangemoedigd kunnen worden om deze praktijk over te nemen. Maar, belangrijker nog, de schrijver van de brief nodigt ons uit om na te denken over een fundamentele vraag: “Is er enige reden om adoptie niet als een sacrament te beschouwen?” Vanuit het perspectief van de systematische theologie veronderstel ik van niet.

Sacramenten zijn altijd een van de pijlers van het kerkelijk bestaan ​​geweest, maar hun aantal kent door de eeuwen heen nogal wat variatie. Terwijl voor de Rooms-katholieke Kerk de sacramentenlijst al sinds de middeleeuwen niet meer aangepast wordt, ziet het er voor de orthodoxen anders uit. Zoals pater Andrew Louth uitlegt, worden er zeven sacramenten aan de orthodoxen aangeboden tijdens het unionistische concilie van Lyon in 1274. Tijdens de Reformatie begonnen de orthodoxen over zeven sacramenten te spreken om zich van de protestanten te onderscheiden. Uiteindelijk werd het getal zeven opgenomen in de orthodoxe catechismus. Desalniettemin kent deze step geen legitimiteit volgens de patristische traditie. Pater Louth suggereert zelfs in Introducing Eastern Orthodox Theology dat de beperking van het aantal sacramenten (p. 136): “…niet past bij de benadering van de orthodoxe theologie”.

Laten we nader kijken naar het magnus opus, The Experience of God, van een theoloog die zonder twijfel het aantal van zeven sacramenten gebruikt: pater Dumitru Stăniloae (1903-1993). Hoewel Stăniloae het niet expliciet vermeldt in zijn monografie is er in zijn theologische kader weldegelijk ruimte voor andere sacramenten. Hij geeft de voorkeur aan het mysterie (taină). Er moet wel worden opgemerkt dat het woord ‘sacrament’ in het Roemeens zelden gebruikt wordt in een kerkelijke context. Toch is dit meer dan een taalkundige voorkeur. Stăniloae gebruikte de term ‘sacrament’ in zijn vroege geschriften uit de jaren ’40 en ’50. Later raakte het in ongebruik in Stăniloaes werk. Voor hem staat mysterie (taină) dichter bij het Griekse mysterion. Mysterie is datgene dat verborgen is en pas wordt onthuld door het trouwe handelen van de christen. In deze brede zin zou zelfs de mens een mysterie kunnen worden, als zij de stoffelijke en de geestelijke kanten van haar wezen met Christus zou verenigen en Christus vervolgens aan de wereld openbaarde.

Stăniloae kiest ervoor om over slechts zeven sacramenten te spreken in zijn werk. De reden waarom hij zich tot zeven beperkt, is ietwat lastig om te begrijpen. Zeker wanneer men deze definitie leest in het vijfde deel van The Experience of God (pp. 2-3): “Het mysterie wordt gevierd in de ontmoeting van twee menselijke onderdanen die zich door het geloof hebben opengesteld voor de Heilige Geest, die aan het werk is in het milieu van de kerk, en deze ontmoeting wordt ook uitgebreid door de directe aanraking van hun lichaam, of door de tussenkomst van een materieel element. Het zijn niet de materiële elementen, de gesproken woorden of de gerealiseerde gebaren, op zich genomen, die het mysterie vormen. Het mysterie zit veeleer in de geloofsvolle ontmoeting van twee personen in het midden van de Kerk, die vol is van de Heilige Geest, en ook in het lichamelijk contact tussen twee personen, samen met de getuigenis van hun geloof dat ze door hun woorden zowel het geloof geven van degene die het mysterie viert als van degene die het ontvangt.”

Deze definitie biedt geen mogelijkheid om andere sacramenten eventueel te verwerpen. Er kan enkel worden opgemerkt dat de sacramenten verschillen van andere symbolische handelingen en gebaren. Hierdoor kan adoptie ook geclassificeerd worden als een ‘symbolische handeling’. Maar wat is dan de rol van een sacrament?

Stăniloae benoemt datgene wat een meerderheid van de orthodoxe theologen ook zouden stellen, namelijk dat de sacramenten ons helpen dichter bij de eenheid van Christus te komen. Elk sacrament verheft en versterkt de menselijke natuur op zijn weg naar de eenheid met Christus. De doop laat ons kennismaken met het christelijke leven, het vormsel laat ons de wonderen van de Heilige Geest zien, de eucharistie neemt ons op in het lichaam van Christus, de biecht helpt onze relatie met Christus te reinigen van alle leugen en ontevredenheden. Wederom vindt u een passend citaat uit het vijfde deel van The Experience of God (dln. 5, pp. 18-19): “Wij groeien in onze menselijke natuur vanuit een spiritueel oogpunt, net zoals Hij zich ook verwaardigde om te groeien in Zijn menselijke natuur. We kunnen de verschillende groeistadia die bij deze natuur horen niet vergeten.”

Het lastige in deze kwestie is dat het antwoord de drie andere sacramenten, die niet direct verbonden zijn met het ons geloof in Christus, niet volledig rechtvaardigt, namelijk het huwelijk, de wijding en ziekenzalving. Het laatst sacrament zou beschouwd kunnen worden als een sacrament dat ons naar Christus leidt. Vooral wanneer we genezing koppelen aan een innerlijke heelheid. Toch geldt dat niet voor de eerste twee. Stăniloae lost dit probleem op door een onderscheid te maken tussen typen sacramenten: 1) sacramenten die op directe wijze leiden tot een vereniging met Christus en 2) sacramenten van dienstbare aard. Het huwelijk en de wijding vallen volgens Stăniloae in de laatste categorie. Over het huwelijk als dienst stelt Stăniloae: “De meerderheid van de mensen beleeft de volheid van de huwelijksrelatie door de deugden te actualiseren als vruchten van hun samenwerking met deze genade, of als vormen van hun toewijding binnen deze ononderbroken en intense relatie. Welnu, als men deze relatie eenmaal is aangegaan, heeft men een bepaalde kwaliteit van bekendheid die in positieve zin alle andere relaties bepaalt die een mens heeft in de samenleving, die door het huwelijk wordt vermenigvuldigd.” (The Experience of God, dln. 5, p. 168).

Zouden deze zinnen niet hetzelfde gewicht met zich meebrengen wanneer het om adoptie gaat? Veroorzaakt adoptie niet deugd bij degenen die zich eraan toegewijd hebben? Is in deze relaties geen genade nodig die voortkomt uit het verlangen om zichzelf aan een vreemde te geven? Voor mij is het moeilijk om daarop ontkennend te antwoorden.

Er zijn weinig tegenargumenten waarom adoptie niet aan de lijst van sacramenten toegevoegd zou worden. Voor de orthodoxe theologie zijn sacramenten wegen naar vergoddelijking. Ze geven ons de kracht om dichter bij God te komen. Het is een mogelijkheid om door ons handelen Gods liefde voor de mensheid zichtbaar te maken. Waar anders kan deze liefde beter tot uiting komen dan in de acties waarmee we onszelf opofferen voor anderen, voor mensen die we niet kennen maar leren liefhebben?

Het zou ironisch zijn om over de hogere betekenis van sacramenten te vallen omwille van de symboliek. Het is ironisch om vast te houden aan een getal dat niet eens deel uitmaakt van onze identiteit, maar een overblijfsel is van onze ‘Babylonische gevangenschap’ in de Westerse theologie. De ironie zou donkerder en meedogenloos worden als we de open armen van de wezen en van degenen die hun armen openden om hen te ontvangen, zouden verwaarlozen. Alleen omdat we gebiologeerd zijn door de magie van een getal.

© Public Orthodoxy; Petre Maican. Gepubliceerd met toestemming van Petre Maican. Voor het oorspronkelijke artikel in het Engels, zie de webpagina van Public Orthodoxy hier.

Geschiedenis van de Macedonisch-orthodoxe Kerk

Door Paul Baars.

Een vroeg christelijk begin?

Het huidige Noord-Macedonië voert zijn christelijke oorsprong graag terug op de bezoeken van de apostel Paulus aan de regio en aan de stad Filippi, die rond 55 na Christus hebben plaatsgevonden. Het huidige Noord-Macedonië bestond toen natuurlijk nog niet. Er was nog geen Slavische bevolking. De regio was een onderdeel van de Hellenistische wereld en cultuur. Maar een begin van christendom was er. Vanaf de vijfde eeuw ontstond er enige kerkelijke organisatie met een aantal bisdommen. De oudste kerken in de regio dateren uit die periode, zoals de kerk van de heilige Sofia in Ohrid. Rond de 7de eeuw vestigden Slaven zich in het gebied en desintegreerde de kerkelijke organisatie enigszins. De Sofia kerk werd verwoest en in de 10de eeuw op de oude fundamenten herbouwd. In de 9de eeuw reisden de monniken Cyrillus en Methodius op uitnodiging van vorst Rastislav van het Moravische Rijk door de regio en bliezen het christendom nieuw leven in. Ze worden daarom wel ‘de verlichters van-’ of ‘de apostelen van de Slaven’ genoemd. Hoewel hun missie ook de instemming had van de paus van Rome, kwam de regio onder invloed van het Byzantijnse, orthodoxe christendom. Aan hen wordt door de traditie de ontwikkeling van het Glagolitische alfabet toegeschreven, hoewel het historisch waarschijnlijk meer het werk was van hun leerlingen: de heilige Clement en de heilige Naum. Het Glagolitisch bestaat al lang niet meer. Het Cyrillische alfabet is van latere datum, is uit het Griekse alfabet ontwikkeld en heeft een hele ontwikkeling doorgemaakt voor het haar huidige vormen kreeg. In Macedonië gebruikt men nu een oudere variant dan in Rusland. Clement stichtte een school, die veel priesters en diaken heeft opgeleid die in een groot gebied gewerkt hebben.

© Wikimedia Commons: Kathedraal van de heilige Clement in Skopje.

Het aartsbisdom Ohrid

Kort na 934 erkende de Byzantijnse keizer een Bulgaars-orthodox patriarchaat, nadat Bulgarije haar onafhankelijkheid van Byzantium had bevochten. Nadat het Byzantijnse rijk in 1018 Bulgarije weer verslagen had, werd dit patriarchaat teruggebracht tot het aartsbisdom van Ohrid. Dat strekte zich toen uit over grote delen van het huidige Noord-Macedonië, Bulgarije, delen van Albanië, Servië en het noorden van Griekenland, waar de Slavische bevolking toen sterk aanwezig was. Dat betekent dat zowel de huidige Bulgaars-orthodoxe Kerk als de huidige Macedonisch-orthodoxe Kerk beide het aartsbisdom Ohrid als de oorsprong van hun eigen kerkelijke structuur zien. Het Byzantijnse Rijk, de Bulgaren en de Serviërs domineerden afwisselend de regio. Het aartsbisdom overleefde die politiek woelingen, weliswaar in een afgeslankte vorm en met een steeds wat veranderende status. Door deze geschiedenis kunnen de huidige nationale staten nog steeds politieke en kerkelijk claims op het gebied leggen. Dat zagen we onlangs nog toen Bulgarije extra voorwaarden stelde aan een eventueel lidmaatschap van Macedonië van de Europese Gemeenschap. Het onderscheid tussen Serviërs, Bulgaren en Macedoniërs was in die tijd nog niet zo helder. Deze staten hadden nog niet het karakter voor onze moderne staten. Deze claims strekken zich soms ook uit naar een ver verleden. Zo is er nog steeds discussie of Alexander de Grote nu een Griek, een Bulgaar of een Macedoniër was.

De Osmaanse periode

In 1392 veroverden de Ottomanen Skopje en daarna de hele regio. Zij erkenden het aartsbisdom Ohrid wel en respecteerden zijn autonomie. Een aantal Bulgaarse en Servische bisdommen sloten zich erbij aan en het bisdom kreeg zelfs zeggenschap over delen van Zuid-Italië en Dalmatië. In 1767 hief de Sultan het aartsbisdom op en plaatste het onder het gezag van de patriarch van Constantinopel, die zetelde in Istanbul. Dat was het gevolg van het zogenaamde ‘millet’-systeem, waarbij alle orthodoxe christenen onder de patriarch van Constantinopel werden geplaatst. De patriarch moest zowel kerkelijke als wereldse zaken voor de sultan regelen, waaronder het innen van belastingen. Dat leidde soms tot corruptie. Voor andere minderheden, bijvoorbeeld joden bestond ook zo’n millet. De minderheden konden hun cultuur en godsdienst behouden, maar wel als tweederangs burgers. Ze moesten extra belasting betalen, mochten geen paard rijden en niet als getuige bij een rechtszaak optreden. De bouw van nieuwe kerken was aan grote beperkingen gebonden. Belangrijke kerken werden omgebouwd tot moskee. Vooral in de steden werd de invloed van de islam groot. De kerk van de heilige Sofia werd een moskee en de 11de-eeuwse fresco’s werden wit overgekalkt. Deze werden pas na 1913 grotendeels hersteld. Men spreekt daarom nog steeds van het ‘Turkse juk’, hoewel dat juk soms zwaarder en soms lichter was. Een deel van de Slavische bevolking ging over naar de islam en hier en daar vestigden zich etnische Turken. Ohrid heeft nog steeds een kleine Turkse wijk met een eigen moskee.

Enkele kloosters bleven centra van het christelijke leven. Er werden in deze periode vaak Griekse bisschoppen benoemd en de Griekse liturgische taal werd aan de niet-Griekse gelovigen opgedrongen. Op afgelegen plaatsen leefden de eigen tradities voort dankzij Macedonische priesterfamilies en enkele kloosters. Monniken van de Slavische kloosters op de berg Athos, vooral de kloosters Hilandar en Zograf, hielpen hen daarbij. Ook in sommige Griekse kloosters waren Slavische monniken welkom. Zo bezit het Katharina klooster in de Sinaï nog steeds een collectie oude Slavische handschriften. De Russisch-Turkse Oorlog in 1768 en oorlogen met de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie leidde tot extra repressie tegen de christenen, die als potentiële bondgenoten van deze landen werden gezien. Het Osmaanse Rijk vertoonde tekenen van verval, wat voor extra problemen en chaos zorgde.

Aanzetten tot christelijke en nationale herleving

Halverwege de 18de eeuw zien we het begin van een christelijke herleving. In de belangrijke steden stichtte men nieuwe parochies met parochie scholen. Enkele monniken trokken rond om te prediken en er werden weer boeken uitgegeven, niet in het Kerkslavisch of het Grieks, maar in het Macedonisch. In de hele regio was deze herleving verbonden met een opkomend verlangen naar politieke en kerkelijke onafhankelijkheid binnen of buiten het Osmaanse Rijk. In de 19de eeuw was de sfeer in het Osmaanse Rijk meer tolerant. De orthodoxe kerk kreeg meer ruimte. Er werden meer en grotere kerken geopend. De kerkelijke kunst bloeide op met architectuur, fresco’s, houtsnijwerk en iconen, vaak met een vrij barok en Westers karakter. Servië, Griekenland en Bulgarije waren inmiddels onafhankelijk, maar de Serviërs en de Grieken vonden dat Bulgarije te veel had gekregen. Dit leidde tot twee wrede oorlogen. Een poging van Bulgarije om Istanbul (Constantinopel) te veroveren liep vast bij Adrianopel. Na deze zogenaamde Balkan-Oorlogen in 1912 en 1913 werd de regio opnieuw verdeeld onder Bulgarije, Servië en Griekenland en hun kerkelijke jurisdicties. Tsaar Nikolaas de Tweede van Rusland had in die periode ook het plan opgevat om Istanbul te veroveren (in zijn ogen te bevrijden) en had daar in 1915 een fonds voor opgericht. Maar de crisis in Rusland van die jaren maakte de uitvoering van dat plan onmogelijk.

Macedonië binnen het Koninkrijk Joegoslavië (1918 – 1941) en later binnen de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (1944 – 1991) Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog ontstond op 1 december 1918 het Koninkrijk Joegoslavië en kwam het huidige Noord-Macedonië binnen de Servisch-orthodoxe Kerk en werd de Servische invloed op alle gebieden groot. De Macedonische cultuur lijkt natuurlijk op de Servische cultuur, maar er was in Servië te weinig oog voor de verschillen en dat bleef irritatie geven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het verlangen naar een onafhankelijk Macedonië met een eigen orthodoxe kerk weer naar voren. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het gebied ten noorden van Thessaloniki definitief onder Grieks bestuur. De regio werd gehelleniseerd. Dorpen kregen nieuwe Griekse namen. Families moesten hun naam vergrieksen. Een deel van de Slavische bevolking deed dat niet en vertrok.

Op 4 en 5 mei 1945 werd de eerste Macedonische Nationale Kerkvergadering gehouden in Skopje. Er werd besloten het aartsbisdom Ohrid in ere te herstellen als een autocefaal (volledig zelfstandig) aartsbisdom met een door het Macedonisch kerkvolk en haar clerus gekozen kerkleiding. Men wilde wel binnen een overkoepelend patriarchaat voor heel Joegoslavië blijven, dat vooral een symbolische betekenis moest krijgen. De synode van de Servisch-orthodoxe Kerk keurde deze besluiten echter af. Het zou een verlies aan invloed betekenen. Bovendien zag met Macedonië als een soort Zuid-Servië. Maar het verlangen naar zelfstandigheid bleef in Macedonië bestaan. In 1958 werd een tweede Nationale Kerkvergadering gehouden, waarin de eisen herhaald werden en ook een eigen metropoliet van Skopje en Macedonië gekozen werd. Dat werd Dositej II (Stojkovits). Hij was vanaf 1959 al metropoliet van Skopje, maar binnen het patriarchaat van Servië. De Macedonische Orthodoxe Kerk had kreeg in 1959 wel een autonome status binnen dat patriarchaat. De nieuwe autocefale metropolie zou samenvallen met het Joegoslavische Macedonië en er werd een constitutie opgesteld. Maar dat ging de Servisch-orthodoxe Kerk te ver.

© Wikimedia Commons: Aartsbisschop Dositej II (1906 – 1981).

Er leek even een verzoening te komen met twee bezoeken van de Servische patriarch German, maar die verzoening zette niet door. In juli 1967 werd een derde Nationale Kerkvergadering gehouden en werd de autocefalie van het aartsbisdom Ohrid binnen het Servische patriarchaat plechtig uitgeroepen door metropoliet Dositej. Het Servische patriarchaat bleef echter afwijzend. In september 1967 verbrak de Servisch-orthodoxe Kerk haar banden (communio) met de Macedonisch-orthodoxe kerk, die daardoor een zogenaamde niet-canonieke status verkreeg. Dat wil zeggen dat zij niet erkend werd door andere orthodoxe kerken en dat de geestelijkheid van beide kerken niet meer gezamenlijk liturgie mochten vieren. Het betekende voor de Macedonisch-orthodoxe Kerk een zeker isolement, hoewel er op lager niveau wel contacten bleven bestaan. De Rooms-katholieke Kerk erkende de Macedonisch-orthodoxe Kerk niet, maar knoopte wel contacten aan.

De situatie na 1991

In Macedonië woonden sinds de Osmaanse periode moslims. Deels zijn het etnische Turken, deels Macedoniërs, die een vrij gematigde vorm van de islam in praktijk brengen. Maar een groeiend deel ging ook bestaan uit Albanese moslims, die vooral in het westen van Macedonië wonen. Het is ook een demografische probleem, omdat de Albanezen grotere gezinnen hebben dan de Macedoniërs. Een volkstelling is daarom in Macedonië altijd politiek beladen. Er ontstonden ook tegenstellingen tussen gematigde en radicale moslims. In 1991 was er zelfs een korte burgeroorlog in het westen van Macedonië, die door de overheid snel werd neergeslagen. Tijdens een bezoek in 2016 viel het mij op dat er in het westen van Macedonië veel nieuwe moskeeën waren gebouwd en bij de christelijke kerkhoven ook veel kleine christelijke kerken. Een deel van die moskeeën en kerken was toen nog niet ingericht en stond leeg. De moslims ontvingen steun vooral uit Turkije en de orthodoxe christenen uit Rusland. Veel christenen waren uit het westen van Macedonië weggetrokken. Er waren in 1996 geen grote spanningen meer in het gebied, maar er was ook nauwelijks contact tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Een minderheid van de Albanezen is rooms-katholiek. Hun grote heldin is moeder Teresa, die van Albanese afkomst is en geboren is in Skopje. De Roma en Sinti vormen een aparte groep. Zij zijn soms orthodox, soms rooms-katholiek, soms moslim en soms alle drie tegelijk. Ze leven vaak vrij afgezonderd en in armoede in aparte wijken of trekken rond.

De Macedonische kerk kwam vriendelijk over en ook de rooms-katholieke leden van mijn reisgezelschap waren overal welkom. Het viel mij in 2016 ook op dat er nog veel achterstand was bij de restauratie van oude kerken, fresco’s en iconen. Ik beluisterde een herleving van de oude kerkelijke zang. Oude handschriften waren uit het stof gehaald, waarin je Kerkslavische teksten vindt voorzien van Griekse melodieën. Zo gaat men een eigen weg naast de Griekse liturgische zang en de meerstemmige Russische traditie, die eigenlijk heel westers is. In de hoofdstad Skopje kun je niet heen om de enorme standbeelden van Alexander de Grote, Cyrillus, Methodius en enkele helden uit de onafhankelijkheidsstrijd, die met getrokken pistool gewapend te paard zijn afgebeeld. Hij lijkt alsof ze uit de hemel zijn neergevallen op de stad, wel met subsidie van de Europese gemeenschap. Eind 2017 besloot een nieuwe minder nationalistische regering een deel van de standbeelden, waaronder dat van Alexander de Grote weg te halen, om de relatie met de Griekse regering te verbeteren.

In 2002 leek er opnieuw een overeenkomst te zijn bereikt met de Servisch-orthodoxe Kerk, maar die was voor de meerderheid van de Macedonische kerk onaanvaardbaar. Daarop schiep het Servische patriarchaat een eigen aartsbisdom van Ohrid met bisschop Jovan (Vraniskovski) als aartsbisschop. Enkele parochies en een zusterklooster sloten zich daarbij aan. Macedonië was inmiddels na het uiteenvallen van Joegoslavië geheel onafhankelijk en de Macedonische regering werkte bisschop Jovan tegen. Ze zagen het als een Servische inmenging in Macedonië. De nieuwe structuur kreeg geen registratie van de overheid. In 2005 werd Jovan gearresteerd en tot achttien jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar na een hoger beroep na een gevangenschap van 220 dagen vrij gelaten en verbannen.

Met de staat Griekenland bestond na 1991 lange tijd een conflict over de naam van de nieuwe staat. Griekenland was bang voor claims op de eigen vergriekste regio Macedonië vanuit het Slavische Macedonië. Uiteindelijk werd het in 2019 als compromis voor de naam ‘Noord-Macedonië’ gekozen. De Macedonische kerk telde toen ongeveer 500 priesters, tien actieve bisschoppen in Macedonië en drie bisschoppen voor de diaspora. Er waren twintig kloosters met ongeveer 100 monniken en zusters. In Nederland is sinds kort één Macedonische parochie van de heilige Stefan in de stad Groningen.

De laatste jaren zocht de Macedonisch-orthodoxe Kerk contact met het Bulgaarse patriarchaat over een eventuele erkenning. Aanvankelijk leek dat patriarchaat daar sympathiek tegenover te staan, maar de toenadering zette niet door. In mei 2022 verraste de oecumenische patriarch van Constantinopel Bartholomeüs de orthodoxe wereld met een erkenning van de Macedonisch-orthodoxe Kerk. Maar hij voegde daaraan toe dat de Servische en Macedonische kerk de details samen moesten regelen. Hij beperkte het canonieke territorium van de Macedonische kerk tot Noord-Macedonië om moeilijkheden met de orthodoxe buurlanden te vermijden en om te voorkomen dat de Macedonische kerk in de diaspora buiten Macedonië parochies zou stichten. De Russisch-orthodoxe Kerk keurde dit besluit in eerste instantie af. Ze zag het als een herhaling van de erkenning door Constantinopel van een onafhankelijke Oekraïense kerk. Maar er was kennelijk al goed vooroverleg geweest. De nieuwe Servische patriarch Porfirije keurde de erkenning goed en er was op 5 juni een feestelijke liturgie in de grote nieuwe kathedraal van de heilige Sava in Belgrado, waaraan patriarch Porfirije en aartsbisschop Stefan van Ohrid deelnamen. Patriarch Porfirije overhandigde een document aan aartsbisschop Stefan met de erkenning. Daarop ging het patriarchaat Moskou alsnog akkoord. De vreugde was groot. Er werd zelfs door sommige betrokkenen van een ‘wonder’ gesproken. Na problemen rond het (pan)orthodoxe concilie in Kreta van 1916 en de hevige problemen rond Oekraïne lijkt het erop dat er nu een probleem kan worden opgelost. Het lijkt nu gelukt om de problemen rond de Orthodoxe Kerk in Macedonië door ‘consensus’ op te lossen, zoals dat in de orthodoxe kerkvisie eigenlijk moet.

© Wikimedia Commons: Kathedraal van de heilige Sava in Belgrado.

Maar de details van de overeenkomst zijn nog niet uitgewerkt. Het is nog niet duidelijk of het een vergaande autonomie wordt voor de Macedonische kerk binnen het patriarchaat van Servië of een volledige autocefalie daarbuiten. Die laatste mogelijkheid wordt echter niet uitgesloten. Er moet ook een oplossing komen voor het Servische aartsbisdom Ohid van aartsbisschop Jovan in Macedonië en voor de Macedonische diaspora. Uit Bulgarije zijn enkele bezwaren gekomen tegen de naam van de Macedonische kerk als ‘aartsbisdom Ohrid’, omdat men in Bulgarije in het historische bisdom met die naam ook ziet als haar eigen oorsprong. Daardoor zou nu het gevoel ontstaan dat de Bulgaarse kerk een dochter is van de Macedonische kerk en dat voelt niet goed. Het is ook nog niet duidelijk of de huidige overeenkomst al als een ‘tomos’ gezien kan worden: een officieel kerkelijk door een patriarch uitgevaardigd decreet. Daarnaast is het nog niet duidelijk wie een uiteindelijke ‘tomos’ dan moet uitvaardigen: patriarch Porfirije van Servië of patriarch Bartholomeüs van Constantinopel. Patriarch Porfirije heeft de Macedonische kerk het recht gegeven om in de diaspora buiten Macedonië parochies te stichten en te behouden. Daar is patriarch Bartholomeüs niet gelukkig mee, omdat hij vindt dat alle parochies in de diaspora onder zijn patriarchaat moeten vallen. Het kan dus nog misgaan, maar de goede wil om eruit te komen lijkt dit keer sterk aanwezig.

Feestelijke opening St. Irenaeus Instituut

Door Redactie St. Irenaeus Orthodox Theologisch Instituut.

St. Irenaeus wordt feestelijk geopend op 9 en 10 september 2022. U bent van harte welkom! In 2020 kreeg het Amsterdams Centum voor Orthodoxe Theologie (ACOT) een nieuwe naam: St. Irenaeus Orthodox Theologisch Instituut. In 2021 verhuisde het instituut van de Vrije Universiteit Amsterdam naar de Radboud Universiteit in Nijmegen. Deze gebeurtenissen vonden plaats tijdens de Covid-pandemie, waardoor wij niet de mogelijkheid hadden om deze stappen gezamenlijk te vieren.

De feestelijke opening van St. Irenaeus zal bestaan uit twee activiteiten: op 9 september de formele opening aan de universiteit (‘Welcome to our new home’) en op 10 september een informele ontmoeting in een Orthodoxe parochie, waarbij u kunt proeven van wat St. Irenaeus te bieden heeft (‘Welcome to our kitchen’). De voertaal op beide dagen zal grotendeels Engels zijn.

Verdediging proefschrift over St. Kyrillos van Alexandrië Op vrijdag 9 september om 11:30, voorafgaand aan de officiële opening van het St. Irenaeus Instituut aan de Radboud Universiteit (zie hieronder), verdedigt vader Joseph Lucas zijn proefschrift Offerer and Offering, Cyril of Alexandria on Jewish and Christian Sacrifice. Promotor is vader John Behr, co-promotor is vader Andrew Louth; beiden zijn stafleden van St. Irenaeus. U bent van harte uitgenodigd om deze openbare verdediging bij te wonen. U kunt zich aanmelden via het formulier betreffende de officiële opening van St. Irenaeus hieronder.

De Heilige Kyrillos (gelatiniseerd: Cyrillus), diens voorganger als aartsbisschop van Alexandrië St. Athanasios en natuurlijk de eerste grote christelijke theoloog St. Irenaeus van Lyon behoren tot de grote oecumenische leraren van de ongedeelde Kerk. De erudiete St. Kyrillos heeft eretitels als ‘Pilaar van het Geloof’ en ‘Zegel van alle Vaders’ gekregen. Beide orthodoxe families (in de huidige terminologie: de Oosters-orthodoxe en de Oriëntaals-orthodoxe) beroepen zich op zijn geschriften. Tegelijkertijd staat hij bekend als strijdvaardig en zelfs controversieel. Het is daarom belangrijk om zijn geschriften kritisch te bestuderen. Dat doet promovendus vader Joseph in zijn proefschrift, waarin hij een aantal van de bijbelcommentaren van St Kyrillos nauwgezet analyseert. Later op de middag zal vader John McGuckin, lid van de promotiecommissie, ingaan op andere aspecten van Kerkvader Kyrillos.

Programma opening op 9 en 10 september: ‘Welcome to our new home’
Wanneer: Vrijdag 9 september 2022, 14:30 – 18:30 uur
Waar: campus van de Radboud Universiteit

  • 14:30 Inloop met koffie en thee
  • 15:00 Welkomstwoorden
  • 15:30 Lezing door vader John McGuckin, Roemeens-orthodox priester en hoogleraar emeritus van Columbia University; de titel van zijn rede is: St. Cyril of Alexandria (c. 378-444): The Reconciler of the Church’s Family Feuds
  • 16:45 Programma’s, plannen en projecten van St. Irenaeus
  • 17:30 Uitreiking van de certificaten aan studenten
  • Aansluitend: receptie 

‘Welcome to our kitchen’
Wanneer: Zaterdag 10 september 2022, 10:00 – 15:00 uur
Waar: Orthodoxe Parochie St. Cornelius de Honderdman, Amersfoort
Kosten: Vrijwillige bijdrage van 15 euro (inclusief lunch)

  • 10:00 Koffie en thee
  • 10:30 Introductie
  • 10:45 Een ‘proeverij’ met verschillende workshops
  • 12:30 Lunch
  • 13:30 Colloquium Orthodox theological education in the 21st century
  • Sprekers: vader Andrew Louth en vader John McGuckin, respondent vader John Behr
  • 15:00 Einde van het programma

 Het is noodzakelijk om u voor één of beide dagen aanmelden via dit formulier. Na aanmelding ontvangt u een bevestiging en aanvullende informatie.

© St. Irenaeus Orthodox Theologisch Instituut. Gepubliceerd met toestemming van het St. Irenaeus Orthodox Theologisch Instituut. Voor meer informatie, zie de nieuwspagina van de St. Irenaeus Orthodox Theologisch Instituut hier.

Toespraak 30-jarig jubileum IVOC, Assumptionisten

Door Iulian Danca.

Tijdens het 30-jarig jubileum van het IVOC heeft pater Iulian Danca namens de Assumptionisten een korte toespraak gegeven. Hieronder vindt u zijn tekst:

Op 26 augustus 2018 hebben de assumptionisten afscheid genomen van hun laatste communiteit in Nederland, het kloosterkasteel van Boxtel. Dit markeerde het einde van een 103-jarige aanwezigheid van de assumptionisten, zoals pater Jan Zuiker destijds stelde. Voor mij, iemand die voor het eerst in Nederland is, oogt het kloosterkasteel simpelweg als een mooie foto uit een album. In de geest van pater Zuiker is het goed om ons af te vragen: “wat was de betekenis van dit hele avontuur? Is dit avontuur slechts iets uit het verleden, iets nostalgisch?” Om de woorden van Vicent van Gogh in zijn brief aan zijn broer Theo te gebruiken: “Is het een bewijs van ‘vreselijke helderheid’?”

Onze feestelijke bijeenkomst spreekt deze zoete melancholie die ons van tijd tot tijd in zijn greep houdt ietwat tegen. In die zin was ik zeer ontroerd door de woorden van een van uw collega’s, die u hier op deze gewaardeerde universiteit voorging: professor en nu heilige Titus Brandsma. Hij stelde namelijk: “God heeft het laatste woord.” Totdat deze woorden daadwerkelijke uitgesproken worden (wanneer we ongetwijfeld aan het einde der tijden zijn gekomen), gaat de geschiedenis verder. De geschiedenis metamorfoseert, past zich aan de veranderende omstandigheden aan en vindt zichzelf opnieuw uit, zodat datgene wat eerder een intuïtie was, kan blijven bestaan. Het moet vruchtbaar zijn voor de toekomst. Wat betreft de geschiedenis van het IVOC, als ik het in minder geleerde termen mag uitdrukken, gaat het vooral een geschiedenis van ‘bevruchting’. Jazeker, ik ben me ervan bewust dat ik in het land van de bloemen ben, waar het tulpenseizoen net ten einde is. Ik ga het hier echter niet over bloemen hebben, aangezien ik amper in staat ben een roos van een tulp te onderscheiden. Graag wil ik het hebben over wat het nu precies betekend om vandaag 30 jaar IVOC te vieren.

Zoals u weet, is 30 jaar een mooie leeftijd. Het is de leeftijd van volwassenheid. Het is onder andere de leeftijd waarop Jezus zijn missie begon. Met andere woorden, voor het instituut moet het beste nog komen. Vanzelfsprekend danken wij het verleden en kijken met vertrouwen naar de toekomst. Ik weet niet of pater Benoit Bigard, die me vroeg om namens hem te spreken tijdens dit jubileum, het met al mijn woorden eens zou zijn. Moeten we niet van deze gelegenheid gebruik maken om het glorieuze verleden van de Assumptionisten in dit land wat meer te erkennen en te bedanken? Dat zal ongetwijfeld moeten. Hoe kunnen we dat doen als we u niet aanmoedigen om naar de toekomst te kijken en daarbij de enige taak aan te pakken die bij het instituut berust, namelijk het zoeken naar eenheid?

De Assumptionisten, middels de oprichting van het Instituut voor Byzantijnse en Oecumenische Studies (de voorganger van het IVOC), wilden op hun eigen manier bijdragen aan deze eenheid door onderzoek en wetenschappelijke publicaties. Het is Paus Franciscus die afgelopen maand ten overstaande van de leden van de Dicasterie voor de Bevordering van de Eenheid van de Christenen stelde: “O andiamo insieme, tutte le confessioni fraterne, o non si cammina” [“Of we gaan samen, alle broederlijke gemeenschappen, of we lopen niet”]. Ik denk dat deze woorden in het Italiaans geen vertaling behoeven. We kunnen stellen dat een dergelijke uitspraak helemaal niet genuanceerd is. Het is scherp geformuleerd. Toch is het niet ongebruikelijk om iets zo scherp te stellen, aangezien het smeden van eenheid een veeleisend proces is. Wanneer we naar de oorlog in Oekraïne kijken, zien we hoe moeilijk het is om eenheid te bewerkstelligen. Het is onze taak, ook al zou het keer op keer een ‘nieuw’ begin zijn, te streven naar eenheid.  

Is dat niet een van de doelstellingen van het instituut? Ik citeer op basis van de informatie van de webpagina: Further objectives are: To continue the work of the Institute of Byzantine and Ecumenical Studies. To enrich and deepen forms of Western Christianity. To make Eastern Christianity known to the public in the West and to enhance ties between Eastern and Western Christianity” [“Andere doelstellingen zijn: het continueren van de werkzaamheden van het Instituut voor Byzantijnse en Oecumenische Studies. Het verrijken en verbreden van uitingen van het Westers christendom. Het bekend maken van het Oosters christendom bij een breed publiek in het Westen en het verbeteren van banden tussen het Oosters en Westers christendom.”]. Zoals ik al zei aan het begin van mijn toespraak, dit zijn allemaal taken jullie [als instituut] dwingt naar de toekomst te kijken. Laten we die banden tussen het Oosten en Westen aanhalen, geïnspireerd door het motto: “Ties, ties, ties!” [“Connecties, connecties, connecties!”]. U ziet, dit is het enige woord dat ik gemakkelijk kan uitspreken in het Engels. Het creëren van connecties verbreedt en verrijkt! Dit zal ook de weg zijn die het IVOC leidt naar een gouden jubileum, wat ik hoop te kunnen vieren met jullie!

Aangezien ik hier spreek namens pater Benoit Bigard moet ik deze toespraak eindigen met ietwat formele zin. Ik hoop dat het duidelijk is geworden dat de aanwezigheid van de Assumptionisten in Nederland nog altijd voelbaar is. Dit instituut is daar namelijk het bewijs van. Persoonlijk ben ik niet helemaal vanuit Roemenië hierheen gereisd om over mijn congregatie te spreken alsof het een reliek geworden is. Wanneer ik naar u kijk, wetend welk werk jullie hebben verzet, alle energie die de nieuwe directeur en zijn team, de raad van bestuur en de SAI steken in de goede zaak kan ik jullie niet genoeg bedanken (ook namens pater Bigard).   

Voordat ik eindig, moet ik antwoord geven op de initiële vraag van pater Zuiker over de erfenis van de Assumptionisten in Nederland. Mijns inziens, wat de Assumptionisten hebben achtergelaten is niet, om Vladimir Soloviev te citeren een ‘Instituut voor Christelijke Archeologie’, maar een instituut dat nog een heel leven voor zich heeft. Wat de Assumptionisten in Nederland hebben gesticht, behoort niet bij het verleden. Wat is opgericht, is een eigentijds geschenk aan jullie. Dat is wat het werkwoord ‘stichten’ daadwerkelijk betekend. Overigens ben ik niet de enige die dit stelt. Onder andere een van de grootste Duitse filosofen van de vorige eeuw, die verzot was op jullie land en vooral Van Gogh, wiens schilderijen hij kwam bewonderen in Amsterdam. Het was de filosoof Martin Heidegger. Dit is wat hij zei over het werkwoord ‘stichtingen: “Stichten betekend: oprichten en geven”. Mocht ik het niet duidelijk genoeg hebben uitgelegd, wil ik Heidegger in het Duits citeren: “Stiften heißt: Gründen und schenken”. Dit geschenk is nu van jullie. Dank u.

Conferentie ‘Filosofie in Neopatristiek’ te Krakau

Door Josephien van Kessel.

Van 29 mei tot en met 1 juni vond in de benedictijner Tyniec Abdij in Krakau, Polen de 2022 versie van de Krakow Meetings over Russische filosofie plaats met als thema ‘Filosofie in Neopatristiek’. Een klein weekje later werd de conferentie online voortgezet van 6 tot en met 8 juni. De Krakow Meetings waren in 2021 vanwege Covid-19 ook al op deze manier met zowel een offline als een online variant gehouden. Dit jaar was de aanleiding de onmogelijkheid voor Russische en Oekraïense deelnemers om op de offline conferentie aanwezig te zijn vanwege de oorlog in Oekraïne en de aan Rusland opgelegde sancties.

De Krakow Meetings worden jaarlijks georganiseerd door de Pauselijke Universiteit Johannes Paulus II te Krakau in samenwerking met het Filosofie Instituut Edith Stein te Granada en worden gesteund door het tijdschrift Studies in East European Thought (SEET).

Dit jaar stond tijdens de conferentie de Neopatristische beweging centraal, waarvan de theologische betekenis buiten kijf staat. De Neopatristiek was essentieel voor de orthodoxe theologie van de 20de eeuw en is ook in de 21de eeuw nog steeds een van de meest besproken en succesvolle richtingen. Tijdens deze conferentie werden met name de filosofische aspecten van de Neopatristiek aan de orde gesteld en verder ontwikkeld. Er werden bijdragen gevraagd aangaande de volgende thema’s: de geschiedenis van de Neopatristiek, recent onderzoek, de verhouding Neopatristiek en Russische religieuze filosofie, een vergelijking tussen Russische en Griekse Neopatristiek en tussen orthodoxe Neopatristiek en katholiek Neo-Thomisme, de verhouding Neopatristiek en de beweging van Radical Orthodoxy, Neopatristiek en analytische metafysica, contemporaine religiefilosofie, filosofische antropologie, wetenschap en religie en geschiedenis van de filosofie. Er waren met name veel bijdragen die de ‘synergetische antropologie’ van de Russische filosoof Sergej Choroezjij in relatie tot de Neopatristiek behandelden.

Op maandag 30 mei werd de conferentie geopend door de abt van het Tyniec abdij, Szymon Hiżycki, samen met Teresa Obolevitch als hoofd van het organiserend comité van de Pauselijke Universiteit. Paul Gavrilyuk van de Universiteit van Sint-Thomas te Minnesota in de Verenigde Staten gaf de eerste keynote lezing over Georgij Florovskij, de filosoof en theoloog die de Neopatristiek op de kaart zette met zijn slogan “Terug naar de (kerk)vaders!”. Gavrilyuks lezing is getiteld ‘Florovsky Against the Russian World: His Engagement with Eurasianism’. Tijdens deze offlinebijeenkomst die uit 6 sessies bestond met gemiddeld 3 lezingen per sessie waren er verder bijdragen van kenners uit met name Polen, Verenigd Koninkrijk, Servië, Litouwen, Verenigde Staten, Australië. In 3 sessies waren voornamelijk bijdragen in het Engels. De bijdragen in de overige sessies waren in het Russisch. Slechts in 1 sessie waren 2 bijdragen van in Rusland gevestigde onderzoekers. Het informele gedeelte bestond uit een excursie naar het museum van de abdij en afsluitend vond een ‘Vistula River Cruise’ plaats op het zogenoemde ‘Filosofen schip’ naar het oude stadscentrum van Krakau. De naam het ‘Filosofen schip’ verwijst naar de verbanning van veel leden van de Russische intelligentsia, zowel filosofen, theologen, kunstenaars als andere politiek actieve leden, in 1922 uit Sovjet Rusland. De meesten reisden daarbij per schip naar Europa, ofwel vanuit St. Petersburg, of vanuit Simferopol.

Het online gedeelte van de conferentie, waaraan ik zelf deelnam, begon op maandag 6 juni en bestond uit 8 sessies, waarvan 2 sessies in het Engels waren. In deze sessies waren bijdragen van deelnemers uit Rusland, Oekraïne, Duitsland, Verenigde Staten, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Polen en Nederland. Deze laatste was van mijzelf met een lezing over de polemische relatie van de school van de Neopatristiek, met name Florovskij en Vladimir Losskij, tot de Sofiologie van Sergei Boelgakov. De hatelijkheid van de polemiek van Florovskij en Losskij die zelfs leidde tot de Sophia-controverse in 1935-1936 en een kerkelijke rechtbank om Boelgakovs Sofiologie te veroordelen. De Sophia-controverse had ik tijdens mijn promotieonderzoek als onbegrijpelijk ervaren en wilde ik in deze lezing nader onderzoeken. De overige sessies waren gevuld met bijdragen van onderzoekers uit met name Rusland en Oekraïne. Opvallend was wel dat er niet gesproken werd over de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, al was die nu en dan voelbaar in de soms slechte internetverbinding met Oekraïne. Dankzij deze tweeledige opzet was het toch mogelijk als onderzoekers op het gebied van de Russische filosofie samen te komen en van gedachten te wisselen. Voor het scheppen van deze gelegenheid in deze moeilijke tijden is dankbaarheid aan het organiserend comité op zijn plaats.

Naar alle waarschijnlijkheid zal een selectie van de bijdragen in het Engels verschijnen in een conferentiebundel. Hierover zal te zijner tijd een aankondiging in het Platform Oosters Christendom (POC) verschijnen.