‘Het is de liturgie, niet de economie …!’ Een beschouwing over de centrale plaats van de eredienst ten aanzien van de milieubescherming

Door Bert Groen.

Tijdens het 30-jarig jubileum van het Instituut voor Oosters Christendom heeft Bert Groen een lezing gegeven. Hieronder vindt u de tekst van zijn lezing:

De slogan “It is the economy, stupid!” is in politieke campagnes en ook wel in gewone gesprekken heel bekend. Daarmee wijst degene die het zegt erop dat het de economie is en niet een andere zaak die in onze samenleving een centrale plaats inneemt. Inderdaad is de economie van groot belang in de enorme vraagstukken van de bescherming van ons milieu, die van oorlog en vrede, de mensenrechten en de sociale leer van de kerk. Vandaag gaat het me evenwel om een dimensie van een andere categorie, namelijk die van de liturgie als de centrale zuil van de genoemde essentiële kwesties. Wat oorlog en vrede betreft valt het op dat aan het begin van de door Rusland ontketende oorlog tegen Oekraïne de patriarch van Moskou een legerofficier een icoon van de Moeder Gods aanbood met de zegenwens om succes in de ‘speciale militaire operatie’. Ironisch genoeg deed hij dit tijdens de liturgieviering op de Zondag der Vergeving die aan de Grote Vastentijd voorafgaat. En iconen zijn nu eenmaal sacrale liturgische voorwerpen bij uitstek. Tegelijkertijd baden in het bruut overvallen buurland orthodoxe en Grieks-katholieke gelovigen bij hun Maria-iconen om bescherming tegen de Russische bommen en granaten en er werden akathisten (gezongen gebedsdiensten) gehouden, waarin Maria en andere heiligen om redding werd gesmeekt. En wat de sociale leer betreft valt het op in het document van het Patriarchaat van Constantinopel, For the Life of the World. Toward a Social Ethos of the Orthodox Church, dat er tal van verwijzingen naar de liturgie in voorkomen, ja, de liturgie is een dragende zuil van dit document.

Vandaag concentreer ik me op een gebied dat eveneens dringende aandacht behoeft, namelijk de zorg voor het milieu. Het gaat me erom aan te tonen hoe vanuit een oosters-christelijke visie de liturgie in het vraagstuk van de ecologie de dragende zuil is. In een tijd waarin we steeds meer te maken krijgen met de rampzalige gevolgen van de milieuverontreiniging, de drastische afname van de biodiversiteit, het broeikaseffect, de klimaatverandering en de stijging van de zeespiegel is het van belang ook te bezien op welke wijze de oosterse theologie en liturgie met het acute probleem omgaan.

Sinds ruim twintig jaar vieren de orthodoxe kerken op 1 september de dag ter bewaring van heel de schepping. Die dag is gekozen omdat dan het nieuwe kerkelijke, liturgische jaar begint. Meteen aan het begin van elk nieuw jaar toont de kerk dus aan welk groot belang zij toekent aan de zorg voor het milieu en welke kernrol eenieder daarin heeft te vervullen. De nadruk ligt daarbij op het priesterschap van elkeen. In theologische bewoordingen: het gaat om een eucharistisch ethos. Die term betekent het gebruik maken van de middelen die de natuur ter beschikking stelt. Dat dient te geschieden met een houding (ethos) van dankzegging (‘eucharistia’ in het Grieks). In het dankbare gebruik van die middelen worden de middelen van de natuur teruggeleid naar God. Echter niet alleen die middelen worden teruggeleid, ook wijzelf. In de Goddelijke Liturgie geven we aan God terug wat van God zelf is: brood en wijn als lichaam en bloed van Christus. Zoals het in de anafora, het eucharistisch gebed, heet: “.. het is het Uwe dat wij U aanbieden, het is genomen uit dat wat van U is …” De deelnemers aan de eredienst geven dus niet iets dat van henzelf is, nee, de gaven en zijzelf zijn allang Gods eigendom, ze geven het alleen maar terug. Zoals Jezus Christus door zijn leven, lijden, dood en verrijzenis de schepping constant als een eucharistisch offer terugleidt naar de Vader, zo doet ook de kerk dat en zo dient ook ieder mens het op priesterlijke wijze te doen. Maar in welke vorm doet de gemeente dat? Hebben de mensen goed voor de schepping gezorgd of hebben ze er maar een rommeltje van gemaakt? Daarom is ook een ascetisch ethos van matiging en onthouding van belang; daarover zo dadelijk meer.

De schepping is dus een geschenk van God, “en niet ons eigendom om te misbruiken en te verkwis­ten, alleen maar omdat we de mogelijkheid hebben om ervoor te betalen!” Het eucharistisch en het ascetisch ethos brengen de plicht met zich mee tot gemeenschappelijke zorg en actieve deelname. Zoals de kerkvader Johannes Chrysostomos al preekte: “Het niet delen van onze rijkdom met de armen is stelen van de armen en roven van hun bestaansmiddelen; wij bezitten niet onze eigen rijkdom, maar die van hen!”

Op 1 september worden in de orthodoxe kerken ook speciale troparia (korte gezangen) gezongen. Daarin looft men de schoonheid van de schepping, Gods mysterie, een schat die de mensheid zorgvuldig dient te bewaren. Anderzijds wordt in deze liederen ook het misbruik aan de kaak gesteld dat de natuur wordt aangedaan: wij zondigen door de natuur te vernietigen en we zouden boete moeten doen en God danken voor het prachtige cadeau dat de schepping is.

1 september als dag van de bewaring van de schepping is dus een oosters-orthodox initiatief. Buitenstaanders nemen weleens aan dat het in de orthodoxe kerken alleen maar om liturgie, iconen en heiliging van de eigen ziel gaat. Dat is trouwens al heel wat! Maar het genoemde initiatief laat zien dat de orthodoxie, in dit geval het Patriarchaat van Constantinopel in het bijzonder, tevens oog heeft voor de grote noden van de samenleving. En naast de viering van 1 september hebben de patriarch van Constantinopel en zijn synode ook een rij van andere activiteiten opgezet ter bewustmaking van de reusachtige milieuproblematiek. Daarbij richtte men de aandacht op de rapide verslechtering van bijvoorbeeld de Amazone, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Dan is er ook nog de uitwerking van de orthodoxe actie op de oecumenische beweging: Inmiddels staat 1 september eveneens in heel wat andere kerken op de agenda als een tijdstip waarop extra aandacht aan de bewaring van de schepping wordt besteed. Op verschillende plaatsen wordt trouwens niet alleen 1 september gevierd, maar ook 4 oktober, de liturgische feestdag van Sint-Franciscus van Assisi, als een dag waarop de natuur en de schepping in het middelpunt staan. Tal van kerken van de Anglicaanse Gemeenschap en ook methodistische, lutherse, presbyteriaanse en andere protestantse kerkgenootschappen vieren nu een ‘seizoen van de schepping’, ‘tijd voor de schepping’. Dat doen ze ook wel samen met orthodoxe, oriëntaals-orthodoxe en katholieke bisdommen en parochies. Er bestaan speciale liturgische hulpmiddelen; er worden online-gebedsdiensten gevierd; men stimuleert het zich bewust worden van de ecologische ramp die zich momenteel voltrekt; en netwerken van zogeheten ‘groene kerken’, ook een aantal kloostergemeenschappen, zetten praktische stappen met betrekking tot afvalverwerking en energiegebruik. Bovendien denkt paus Franciscus in zijn encycliek Laudato Si´. Over de zorg voor ons gemeenschappelijke huis na over onder meer de sacramenten, vooral de eucharistie. Dat zijn volgens hem doeltreffende wegen om de materiële wereld in de spirituele op te nemen en de twee met elkaar te verenigen. Ook verwijst de paus instemmend naar de oproepen van patriarch Bartholomeos om boete te doen voor de zonden die tegen de natuur zijn begaan, om te letten op de ethische en spirituele wortels van de milieuverontreiniging en om ons gedrag te veranderen. Verder zegt Franciscus dat hij grote waardering heeft voor de schoonheid en de goddelijke gedaanteverandering van de materie in de spiritualiteit van het oosters christendom.

Opvallend bij dit alles is de primaire betekenis van de liturgie, in het bijzonder de eucharistie. Die wordt in de Byzantijnse ritus als de kerkdienst bij uitnemendheid aangeduid en wordt gewoonweg ‘de liturgie’ of ‘de goddelijke liturgie’ genoemd. Laten we een moment bij haar eminente theologische betekenis stilstaan. Het betreft een viering die zowel een wezenlijke als een zinnebeeldige plechtigheid is, een indrukwekkende rituele tegenwoordigstelling en verkondiging van het leven, het lijden en de verrijzenis van de Zoon Gods, alsook van de gave van de Heilige Geest en van de verwachting van Christus’ wederkomst op de Jongste Dag. Verleden, heden en toekomst lopen hier in elkaar over en zijn met elkaar verweven. Jezus is in de eucharistische eredienst zowel degene die schenkt en offert alsook degene die geschonken en geofferd wordt: hij geeft zichzelf prijs en in de viering wordt zijn radicaal zichzelf wegschenken, zijn offer present gesteld, niet herhaald dus, maar met stoffelijke tekens en symbolische taal in herinnering geroepen. Aldus ontstaat er een nieuwe werkelijkheid: voor de deelnemers vormt de eucharistie het sacrament van heelwording, het totale heil, dat hen van het duister het licht binnenleidt en dat de verbinding tussen hemel en aarde vormt. Het vieren van de ‘goddelijke liturgie’ is dus voor de deelnemers een indringende aanschouwing van hun definitieve redding, een kans die door de Heilige Drie-eenheid aan de naar heelheid snakkende mens wordt geschonken om vergoddelijkt, één met de godheid te worden. Het is een echte afbeelding van het hemelse oerbeeld. Met andere woorden: geleid door de Heilige Geest belichamen de gelovigen tijdens de vieringen dus het mysterie van het eeuwige verbond tussen de Drie-Ene en het volk van God.

Het is zeker waar dat ook in veel westerse kerken de eredienst het hoogtepunt van het kerkelijke en geestelijke leven vormt. Maar meer dan westerse theologen gebruiken hun oosters-christelijke collega’s de liturgie als vertrekpunt voor hun overwegingen. De liturgie is geen illustratie, maar uitgangspunt en basis. De oosterse theologie is niet alleen op de H. Schrift, de Kerkvaders en het canoniek recht gebaseerd, maar ook op de teksten en de overige symbolische handelingen en rituelen van de eredienst. De zogeheten lex orandi en lex credendi zijn met elkaar verweven. Dat wil zeggen: de manier waarop christenen bidden en liturgie vieren bepaalt het geloof en het geloof geeft vorm aan de liturgie.

Dat geldt ook voor ons thema: Liturgie is een primaire bron van de ecologische theologie. De aanbidding van de Drie-ene godheid in gebed en ritueel is niet een toelichting op deze academische discipline, maar haar uitgangspunt en haar grondslag. Goede ecologische theologie is doxologisch, een ‘kosmische eucharistie’. Van belang is ook dat zij weet dat God altijd groter is dan elke menselijke inspanning, ervaring en benadering met woorden. Daarom is zij verweven met liturgische zang die God prijst als de bron des levens en tevens is ze de horizon die men nooit kan bereiken. Goede theologen weten dat er uiteindelijk slechts stilte rest. Doxologische ecologische theologie is de niet-beëindigde en oneindige geschiedenis van denken, voelen, doen en zoeken richting God en de poging om Gods mysterie aan en uit te spreken, niet met de doelstelling om het te doorgronden en doorboren, maar om het te loven en als het uiteindelijke mysterie op te vatten.

Natuurlijk mogen en moeten er tevens kritische vragen worden gesteld. Ook dat is de taak van theologie en religiewetenschappen. De nadruk op de cultus brengt met zich mee dat de wereld wordt gezien door het prisma van de viering van de liturgie. Dit heeft sterke lichtzijden, waaronder leven in dankzegging. Maar men kan zich natuurlijk afvragen in hoeverre de deelnemers aan de eredienst op grond van hun liturgische ervaring gewetensvoller met het milieu omgaan. Bevorderen de vieringen werkelijk het eucharistisch, liturgisch en ascetisch ethos? Dragen ze bij tot de noodzakelijke verandering van ons gedrag? De orthodoxe theologe Elizabeth Theokritoff merkt kritisch op: ‘Het is weinig zinvol om het op welsprekende wijze te hebben over het ‘eucharistisch ethos’ van de Kerk zonder precies en eerlijk te onderzoeken in welke mate zo’n ethos zich weerspiegelt in heel onze levenswijze, als kerkgemeenschap en als [individuele] leden van de Kerk.’

Haar vraag betreft ons allemaal, dus niet alleen de orthodoxe, maar ook de oosters-katholieke en de westers-christelijke vieringen. En voor allemaal geldt dat de net genoemde lex orandi en lex credendi moeten worden aangevuld met een lex vivendi oftewel lex agendi. Het is niet alleen zo dat de manier waarop christenen bidden en vieren het geloof vormt, maar ook zo dat deze twee ‘wetten’ de levenswijze en ons handelen dienen te bepalen en dat omgekeerd de juiste levenswijze en aanpak de correcte manier van liturgie en geloof vormt. Orthodoxie en orthopraxie zijn dus wezenlijk met elkaar verbonden! Volgens het Evangelie volgens Mattheüs wordt bij het Laatste Oordeel gevraagd wat eenieder aan praktische barmhartigheid heeft uitgevoerd. Liturgische en ecologische theologie mag daarom niet worden gescheiden van andere essentiële aspecten van het christelijk leven, met name niet van de praktische naastenliefde. Dat wil dus ook zeggen: Caritas respectievelijk de diakonie dienen dat wat in de liturgie wordt gevierd concreet uit te voeren. De Roemeense orthodoxe theoloog Ion Bria spreekt in dit kader van ‘de liturgie na de liturgie’. Men zou kunnen aanvullen ‘de liturgie voor de liturgie’.

Ik heb eerder het ascetisch ethos ter sprake gebracht. Die term roept bij velen al snel de gedachte op van het moeten afzien van alle mogelijke pleziertjes en van wereldverzaking. In feite gaat het om iets fundamentelers, namelijk om een houding van matiging en zelfbeheersing in plaats van mateloos consumeren en de weggooicultuur. Het gaat dus om vrij-zijn van hebzucht en groepsdwang. Het gaat ook om het temperen van hyperactivisme, haast, utilitarisme en de menselijke dominantie over de (rest van de) natuur. Dit ten gunste van onthouding, het besef van onze afhankelijkheid van en harmonie met de overige schepping. Ten gunste van apatheia – daarmee bedoel ik niet apathie, maar het overwinnen van schadelijke hartstochten als hebzucht en wraakzucht. Ten gunste ook van eucharistia, dankbaarheid voor het leven dat ons geschonken is. Ideaal gesproken gaan menselijke autonomie, actief en creatief zijn samen met ontvankelijkheid en het besef van onze afhankelijkheid van de natuur en de schepper. Gods werking geschiedt in samenspraak met ontvankelijke, ‘priesterlijke’ mensen. In de eucharistie vermengen de hemelse en de aardse eredienst zich met elkaar, en menselijke aanbidding en engelenzang gaan met elkaar gepaard.

Heden ten dage valt het velen van ons zwaar dit bij een doorsnee-kerkdienst te ervaren. We zijn ook aan opdeling gewend: een werkgroep diakonie, een voor de financiën, een voor de liturgie, een voor de liederen en muziek en een voor weer wat anders. Daar komt nog bij dat de maatschappelijke processen van ontkerkelijking en verregaande individualisering nog steeds doorgaan. Veel mensen ervaren dat wat ze het goddelijke of het spirituele noemen buiten de bestaande religies. Het is een grote uitdaging voor de huidige kerken om hun belangrijke boodschap met betrekking tot ecologische inzet en de sacramentele dimensie daarvan te laten horen.

Na de communie en ook op Pinksteren zingt het koor in de Byzantijnse ritus de volgende hymne: ‘We hebben het ware licht gezien, hemelse geest ontvangen, waar geloof gevonden. De ondeelbare Drie-eenheid aanbidden we, want die heeft ons gered.’ Het gaat erom dat deze hymne existentieel ervaren wordt en tot adequaat handelen leidt. Dat het visioen van de eucharistische metamorfose realiteit wordt. Dat liturgie, theologie, diakonie en sociale ethiek elkaar wederzijds bevruchten. Dat hemel en aarde niet alleen een moment, maar voorgoed met elkaar versmelten.

Basilius Jacobus Groen (bijnaam: Bert) studeerde filosofie, theologie en modern Grieks in Nijmegen en praktische theologie, ziekenhuispastoraat en liturgische geschiedenis in Amsterdam. In Trier specialiseerde hij zich verder in liturgische studies als beurshouder van de Alexander-von-Humboldt-stichting, en als beurshouder van de Griekse staat aan de Aristoteles Universiteit van Thessaloniki in orthodoxe liturgie en Byzantijnse kunst. Daarna werd hij stichtend directeur van het Instituut voor Oost-christelijke Studies aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (nu: Radboud Universiteit). Van 2002 tot september 2018 was hij hoogleraar liturgie en sacramentele theologie en hoofd van het instituut voor liturgie, christelijke kunst en hymnologie aan de universiteit van Graz. Van 2007-2019 was hij ook UNESCO-hoogleraar voor interculturele en interreligieuze dialoog in Zuidoost-Europa. 

%d bloggers liken dit: